Dit artikel schreef ik in het Noordhollands Dagblad van 21 januari 1963.

Schooneman eerste Noordhollander
Ook in de toertocht heeft Noord-Holland vrijdag gedomineerd. Wij vermeldden al dat Arie Kunst uit Lutjebroek zich als derde klasseerde en de Bovenkarspelse reus Piet Schooneman vierde werd. Kunst die evenals Schooneman in de Elfstedentocht debuteerde, corrigeerde deze uitslag echter, want  hij verklaarde met beslistheid dat hij op de laatste tien meters door Schooneman was gepasseerd. “Piet meldde zich echter af bij ‘De Groene Weide’ en ik ging direct door naar ‘De Beurs’. Daar was ik dus wel eerder en kwam er een fout in het klassement.”

Arie die tot de trainingsploeg van de Grootebroeker Jan Dekker behoort, passeerde in Sneek al de eerste wedstrijdrijder. In Staveren was hij al zeker langs een honderd jongens gereden die aan de wedstrijd deelnamen.
“Ik vond het te gevaarlijk om achter iemand aan te rijden en daarom nam ik maar steeds de kop. Om zes uur was ik al in Dokkum, maar het laatste stuk heb ik alles moeten lopen, omdat de baan was volgestoven. Van Bartlehiem tot de finish heb ik twee uur werk gehad.”  
Aan voorbereiding heeft het Arie Kunst niet ontbroken. Hij heeft een paar dorpentochten gereden en woensdag gebruikte hij een tocht in Steenwijk als een laatste training.
Waren Kunst en  Schooneman dus vooraan te vinden in de klassering van de toerrijders, als 13e en 14e plaatsten zich Jan Botman uit Bovenkarspel en Cees Bakker uit Grootebroek.
Er waren meer Noordhollanders die zich voortreffelijk weerden. Wij noemen Nico Kuilboer uit Warmenhuizen en de negentienjarige Harry Kok uit Lutjebroek. Ook zij waren op tijd in Leeuwarden.
Voor velen liep de tocht echter anders af dan zij hadden verwacht, toen zij al met succes meer dan de helft hadden afgelegd. Zij mochten niet verder, omdat de toestand van het ijs niet langer verantwoord was.
Voor velen was deze teleurstelling bitter. Voor Jan Dekker uit Grootebroek bijvoorbeeld, die voor de vijfde maal meereed en die aasde op het gouden kruisje, maar zeker ook voor de 56-jarige Sjouke Westra uit Warmenhuizen die voor de achtste maal trachtte de Friese steden te bedwingen.

Zevenmaal bracht hij de Elfstedentocht tot een goed einde. Nu faalde hij domweg door de onbegaanbaarheid van het ijs. Veteraan Westra heeft overigens een voortreffelijke staat van dienst in de geschiedenis van de Elfstedentocht. In 1929 werd hij derde achter Cas Leemburg en Jongert. In 1940 behoorde hij tot de eerste vijf en in 1942 rangschikte hij zich onder de snelste elf. Westra heeft zich in het hoofd gezet de Elfstedentocht tien maal uit te rijden en dan te stoppen. Of hem dit zal lukken? Het is niet waarschijnlijk, want hij is wel erg dicht bij de zes kruisjes.

Dit artikel schreef ik in het Jaarboek 2003 van de historische vereniging 'Oud Stede Broec'. Het  boek verscheen in 2004. De vereniging had/heeft de gewoonte haar jaarboeken een jaar eerder te dateren dan het jaar van verschijnen.

"Postkantoor kan geen monument zijn"

Het duurde wel even voordat de actie voor het behoud van het postkantoor ter sprake kwam. Kan zo'n gebouw een monument zijn ? Jan Haanstra, per 1 januari 2004 geen (waarnemend) burgemeester meer van de gemeente Stede Broec, is resoluut. "Een monument", zegt hij, is een gebouw dat je nergens anders aantreft. Waar van heel ver de mensen naar komen kijken."  Dus vindt hij het postkantoor, omtrent een eeuw geleden symbool van samenwerking tussen Bovenkarspel en Grootebroek, geen monument.  En vanuit die opvatting is wel te begrijpen dat Stede Broec geen gemeentelijke monumentenlijst rijk is, zoals andere gemeenten die wel hebben omdat ze een monumentaal gebouw voor het nageslacht ongerept willen laten. Toch zegt Haanstra wel begrip te hebben voor de roep vanuit de bevolking om het postkantoor te behouden. "Maar laat de mensen dan met een plan komen in plaats van alleen maar te roepen dat het gebouw niet gesloopt mag worden. Als de gemeenschap iets met het gebouw wil, definieer dat dan. Dan kan het gerealiseerd worden."

Een wat statige man, afstandelijk, behoedzaam. Maar niet arrogant. Jan Haanstra is uiterst zelfverzekerd in ons gesprek op de eerste dag van de laatste maand van zijn burgemeestersambt.

Hij was per 1 maart 2002 pensioengerechtigd, maar per dezelfde datum mocht hij als waarnemer nog doorgaan tot de dag waarop Stede Broec, samenvoeging per 1 januari 1979 van de gemeenten Bovenkarspel en Grootebroek, een kwart eeuw zou bestaan. "Als je goed over iets hebt nagedacht, wordt het zeker een succes", zegt hij zonder blikken of blozen.

Postkantoor gemeente Stede Broec

(foto : historische vereniging Oud Stede Broec)


Kwaliteit van leven

Hij herhaalt later nog een paar keer dat goed nadenken alleen maar tot succes kan leiden. Maar is Stede Broec in die vijfentwintig jaar wel een succes geworden? Haanstra kan bijna volledig op het resultaat worden aangesproken, want hij trad aan als burgemeester op 1 mei 1981 en toen stond de nieuwe gemeente nog in de kinderschoenen. Op weg naar volwassenheid is 'het kind' door Haanstra begeleid. Hij zegt even te moeten nadenken over de vraag  naar het succes, over de vraag of en in hoeverre de grotere gemeente de burgers ten goede is gekomen.  "De kwaliteit van het leven is erg toegenomen. Als ik destijds bij mensen kwam die vijftig jaar getrouwd waren zag ik af en toe schrijnende woonomstandigheden. Tien jaar later woonde zo'n echtpaar nog lekker zelfstandig in een nieuwe omgeving, dicht bij het centrum met alle mogelijke voorzieningen. Je hebt als gemeente een bepaalde schaal nodig om de burgers een betere kwaliteit van leven te  kunnen bieden. Die schaal is bereikt door de vorming van Stede Broec, vijfentwintig jaar geleden."

Streekweg

Tot de betere kwaliteit rekent Haanstra zeker het nieuwe centrum dat ontstond daar waar Grootebroek en Bovenkarspel elkaar ontmoeten. Het centrum vergde wel dat de eeuwenoude streekweg, verbinding tussen Hoorn en Enkhuizen, moest worden onderbroken.  Die weg, ooit een modderig pad, was in 1671 een echte straatweg geworden, een klinkerweg, in die tijd voor het platteland een soort wereldwonder. Had dat centrum omwille van de historie niet beter meer naar het noorden verlegd kunnen worden?  "Dan was je in de polder terecht gekomen en dat kun je de mensen niet aandoen. In de polder heb je geen enkele band met de historische kern." Haanstra zegt het met enige verontwaardiging, alsof een oude koe uit de sloot gehaald is.

Afgerekend

De VVD-er Jan Haanstra kwam naar Stede Broec met in zijn bestuurlijke bagage het wethouderschap van Alphen aan den Rijn. Hij was daar betrokken bij de bouw van twee winkelcentra en schrok toen hij in 1981 in Stede Broec bijna huis aan huis het affiche 'Centrum neen' gewaar werd. Al gauw ontdekte hij de betekenis ervan. Zonder de bevolking en de gemeenteraad er goed bij te betrekken had het vorige college van burgemeester en wethouders voor de nieuwe gemeente een hart bedacht met winkels, een bescheiden schouwburgje, een medisch centrum en kantoren. Maar dat was, zegt Haanstra, voor een gemeente met bijna 18.000 inwoners wel erg ambitieus. Té ambitieus. En dus kwam het volk in opstand.  Dat kwam tot uiting in de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 die per september van dat jaar leidden tot twee wethouders van Gemeentebelangen en een van het CDA als secondanten van Haanstra. Met de combinatie PvdA-CDA was afgerekend.

Geen verplichtingen

Het centrumplan kwam bij het oud papier terecht en Stede Broec begon opnieuw. Haanstra: "We kochten oude verplichtingen tegenover Amro Projectontwikkeling af voor 300.000 gulden (ongeveer  136.360 euro)  en de gemeenteraad had de handen vrij. Ik heb trouwens een hekel aan verplichtingen jegens een projectontwikkelaar. Je moet altijd werken op basis van vijftig-vijftig. Beide partijen nemen risico. Gelijke monniken, gelijke kappen. Met dat uitgangspunt zijn we toch doorgegaan met Amro. Het was mogelijk geweest met 9000 vierkante meter winkelruimte te beginnen, maar het werd in de eerste fase ongeveer de helft. 'Eerst maar 'ns koike wat het is.' Het was de wens van de gemeenteraad voorrang voor vestiging in het centrum te bieden aan de eigen middenstand. En voor een aanvaardbare prijs. Dat is ook gebeurd. De gemeente nam de kosten van parkeerterreinen en toegangswegen voor haar rekening. Het centrum telt nu 15.000 vierkante meter met alles wat je voor je dagelijkse levensbehoeften maar nodig kunt hebben en met van het begin, in 1985, af aangrenzend het gemeentehuis. En nu ook een prachtige bibliotheek." Haanstra herhaalt graag: "Als je goed hebt nagedacht, heb je succes." En met evenveel graagte relativeert hij zijn eigen aandeel door te wijzen op de doorslaggevende rol van de gemeenteraad. Alsof iemand iets anders zou durven denken.....

Wonen en pendelen

Hoe is het wonen in Stede Broec ooit in plannan van de provincie Streekstad genoemd?  De vroegere gemeenten Grootebroek (met Lutjebroek) en Bovenkarspel (met Broekerhaven) hebben veel eigenheid verloren, veel ook behouden. Van 17.800 in 1979 is het aantal inwoners in de eerste kwarteeuw gegroeid tot 21.200. Veel woningen zijn gebouwd voor mensen van elders, waardoor de gemeente voldeed aan haar groeitaak volgens het door de provincie bedachte Streekplan 1994. Maar sinds een jaar of vijf mag Stede Broec alleen nog bouwen voor de woningbehoefte van de eigen inwoners. Haanstra: "We doen dat in zogenaamde 'inbrei-plannen', het benutten van open ruimten.  De gemeente telt nu 8543 woningen. Voor zover ik het kan bekijken gaan we naar ongeveer 10.000 woningen en dan zal de gemeente tussen de 25.000 en 30.000 inwoners hebben." Maar wonen in Stede Broec, met alle mogelijke voorzieningen, met mooie nieuwe wijken als Rozeboom, Zesstedenpark en Zuidervoert, betekent voor duizenden ook het dagelijks pendelen naar werk.  "In onze gemeente is te weinig werk en het is te eenzijdig. Het meeste werk vind je hier in de zorgsector, winkels, agrarische bedrijfstak, de gemeente. Voor een deel loopt de gemeente elke ochtend leeg. De treinen zijn dan overvol. De Drechterlandseweg/Westfrisiaweg is een grote file. Maar een paar uur later gaat het wel weer. Het zou een zegen zijn  als het verkeer meer gespreid kon worden. Het zou al schelen als de klok van de bloemenveiling Aalsmeer op een ander tijdstip zou draaien." Meer werkgelegenheid zit er voor Steded Broec niet of nauwelijks in.  "De gemeenteraad is groot voorstander van de ontwikkeling van een bedrijvenlocatie aan de A 7, bij Middenmeer."

Trots

Haanstra zegt in Stede Broec veel te hebben om trots op te zijn. Sporthallen, voetbal-complexen, overdekt zwembad, het Streekbos als grootste recreatiegebied van West-Friesland met 40 à 50.000 bezoekers per seizoen. Alle vormen van basis- en voortgezet onderwijs, goede woonzorg voor ouderen, met als topper woonzorgcentrum Rigtershof. Stede Broec, een gemeente om 'u ' tegen te zeggen voor ieder die het verleden kent. De rivaliteit tussen Grootebroek en Bovenkarspel van heel vroeger, de drang om samen te gaan die in de jaren zestig van de vorige eeuw ontstond en die gemakkelijk een eerste aanzet kreeg toen burgemeester J. Stuifbergen van Bovenkarspel ook waarnemend burgemeester van Grootebroek werd. In die periode veranderden beide gemeenten ook voorzichtig van uiterlijk en innerlijk. Als zogenaamde overloopgemeenten bouwden ze woningen voor mensen uit de Randstad. Het eerste begin daarvan was dat Bovenkarspel 36 woningwetwoningen mocht bouwen van het contingent dat aan Amsterdam was toegewezen. Op 4 juli 1968 betrokken de eerste zes Amsterdamse gezinnen hun huis in Bovenkarspel. Zij waren bevoorecht, want voor de 36 'Amsterdamse'  huizen die beschikbaar kwamen hadden zich 425 liefhebbers gemeld.

Nog groter?

De dorpen die Stede Broec vormen hebben veel eigenheid behouden. Veel  ook verloren. Maar over het algemeen treft de buitenstaander, zoals ik er een geworden ben, er een prettig leefklimaat aan, ook dankzij de goede voorzieningen.  Maar tenzij je met de trein komt of naar Broekerhaven met een plezierboot, is Stede Broec moeilijk bereikbaar. Geen busvervoer, dichtslibbende wegen. De bergen werk die wat dit betreft, misschien ook ten gunste van meer werkgelegenheid, nog verzet moeten worden, vergen misschien ooit een grotere gemeente. Haanstra laast zich daar wijselijk niet over uit. Maar hij plaatst voorzichtig vraagtekens als het gaat om de vraag of een gemeente van de grootte van Stede Broec wel profesioneel sterk genoeg bemand kan zijn om taken op het gebied van de veiligheid goed aan te kunnen. "We hebben bijvoorbeeld bij de brandweer maar twee beroepskrachten."

Naschrift: Het oude postkantoor is behouden gebleven, gerestaureerd, verbouwd, vernieuwd, uitgebreid. Het is een alom geprezen multifunctioneel centrum geworden, officieel geopend op 1 september 2012.

Wie er meer over wil lezen en/of zien kan terecht op de website van de gemeente: www.stedebroec.nl.

Op deze website is ook te zien dat Stede Broec een gemeentelijke monumentenlijst heeft met 28 monumenten, met als pronkstuk het postkantoor.

Het is nu 10 juni 2013. Al in april heb ik de gemeente Stede Broec gevraagd hoeveel het gekost heeft om van het postkantoor een gebouw te maken dat voor veel culturele doeleinden geschikt is. Het hoge woord kwam er vandaag uit: de gemeente heeft er 4.710.000 euro voor moeten neertellen.

Wim Klaassen

Van de 73 meisjes en jongens die in september 1948 de eerste klas van de r.k. Mulo St. Aloysius te Hoorn binnenstapten, begonnen er veertien in september 1950 in klas 3A aan het eindexamenjaar. De klas telde toen 18 leerlingen, want in 1950 waren er vier ‘van buiten’ bij gekomen. Een klas van achttien. Eigenlijk zomaar een klasje, want contacten tussen klasgenoten waren er in de latere jaren nauwelijks. Na een reünie van honderden op 18 oktober 1998 ontstond het plan 3A weer eens samen te brengen. Dat gebeurde op 15 oktober 2000. Een halve eeuw nadat ze het examenjaar begonnen, treffen elf oud-klasgenoten elkaar in Hoorn. Twee van de achttien zijn overleden, vier anderen voelen geen verbondenheid, een is verhinderd.

In wat voor Nederland, wat voor West-Friesland leefden de 3A-ers omtrent vijftig jaar geleden.? Wat moest je doen om op de Mulo toegelaten te worden, wat was het voor school ?  Hoe waren de omstandigheden thuis, wat is er van die meisjes en jongens van 3A geworden? Ik probeer daar in dit boek een antwoord op te geven. Een beetje geschiedenis, een beetje het West-Friesland van toen, het katholieke deel van het West-Friesland van toen.

De wereld van vroeger, de gang naar de wereld van nu. Twee werelden van (toch niet?) zomaar een klasje.

Kleine gebeurtenissen van halverwege de twintigste eeuw, opgetekend bij oud-leerlingen van de ulo of mulo Onder de Boompjes in Hoorn waarvan Aloysius de patroonheilige is:

Hij maakt z’n huiswerk boven op een overloop. Beneden zitten vader en een paar buren te kaarten. Luisteren, gauw het huiswerk afmaken en naar beneden.   
--
Zondagmiddag naar het voetballen?    Maar dan moet je ‘s ochtends eerst  twee keer naar de kerk.
-- 
De postbode: Goeiemiddag  ik heb een briefkaart voor je. Ik lees net dat je zuster volgende week te gast komt.
-- 
Hij  is tien  jaar en krijgt een te hoge fiets. Met blokken op de trappers kon hij er net bij. Broertje op de stang, zusje en broertje achterop. En naar school.

tweede klas
Klas 2A, in het voorjaar van 1950. Achterste rij v.l.n.r.: Simon Beerse Westwoud, Kees Tool Bovenkarspel, Johan Overbeek Hoorn,  Vera Veul Hem, Dini van der Lee De Goorn, Toos Wiering Zwaag, klasseleraar Willems.
Middelste rij: Ria Terra Wognum, Corry Vlaar, Cilia Kwaad en Nel Bloem Hoorn, Annie Sijm Westwoud, Kees Kuip Wognum, Antoon de Wit Venhuizen.
Voorste rij: Jan Tromp Hoorn, Henk van Stralen Oosterblokker,  Simon Vijn Westerblokker, Appie van Wees Hoorn, Anton Nipshagen De Weere, Wim Klaassen Bovenkarspel.


{mospagebreak title=Architectonisch onbenullig, tóch monument}
Architectonisch onbenullig, tóch monument

Maar was die school Onder de Boompjes nou een ulo of een mulo?  Uitgebreid lager onderwijs of meer uitgebreid lager onderwijs? Het is lood om oud ijzer. Directeur H.G. Holtkamp noemde zich  Hoofd R.K. School voor ULO, maar op de voorgevel van het gebouw prijkte R.K. MULO SCHOOL.  Op het weekrapport waarin  je ouders konden zien of je er met de pet naar had gegooid of je best had gedaan,  werd de school ulo genoemd, maar wie het eindexamen goed had volbracht kreeg het Mulo-diploma.  
Dus toch maar mulo? Ja. Maar over het schoolgebouw zelf wordt wél principieel verschillend geoordeeld. In het in  1980 verschenen boek ‘Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was…’ staat een omstreeks 1895 gemaakte foto van Onder de Boompjes. Oude bomen en monumentale huizen uit de achttiende eeuw. Over die huizen schrijft het boek onder meer ‘ze zijn of onherstelbaar verminkt door een ombouwing tot een garagebedrijf of ze zijn geheel verdwenen en vervangen door een, als gewoonlijk, architectonisch onbenullig schoolgebouw’. Welnu, dat onbenullige schoolgebouw, daterend van 1935/36, wordt binnenkort aan de gemeenteraad van Hoorn  voorgedragen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Het kan verkeren.

Amsterdamse School
De school werd opgericht in 1917, vertelt Chris Schrickx, oud-leerling, oud-leraar en oud-directeur van ‘Aloysius’. In 1918  begon directeur Hagenaars met 37 leerlingen in het pand Onder de Boompjes 19 dat architect W. N. Vlaming uit Medemblik geschikt had gemaakt om als schoolgebouw te dienen. In 1935 werden  het gebouw en het naastgelegen pand nummer 18 gesloopt en op de fundamenten ervan kwam het gebouw zoals het er nu nog staat en in 1936 in gebruik werd genomen, ontworpen door de Hoornse architect Johan Verberne.
Volgens de gemeente Hoorn toont het gebouw invloeden van de laatste fase van de Amsterdamse School. Een kenmerk van de architectuur van die Amsterdamse School vormen, aldus de Encarta® 99 Encyclopedie Winkler Prins Editie, de sterke horizontale accenten in de gevelindeling, mogelijk gemaakt door de toepassing van constructies van staal en gewapend beton. Voor de bekleding van de feitelijke constructie werden bij voorkeur ‘eerlijke’ bouwmaterialen gebruikt, vooral baksteen in vele (sier)verbanden gemetseld. 

Ingangspartij
In de voorgevel van de school Onder de Boompjes vallen, aldus een beschrijving van de gemeente Hoorn, de ingangspartij en alle aan elkaar gelijk zijnde vensters op. De ingangspartij met haar ambachtelijk siermetselwerk boven het portiek, de geprofileerde zijmuren in het portiek, de glas-in-loodpaneeltjes boven de deuren van teak (Javaanse djatiboom). Meer ramen per raamkozijn, de dikte van het hout en de roedenindeling stemmen overeen met het belang dat in de Amsterdamse School wordt toegekend aan het venster als onderdeel van de bouwstijl. Opvallend, en nog in gave staat, zijn het trappenhuis met zijn glas-in-loodvensters en het tegelwerk op de vloeren van de gang en de muren van het trappenhuis. Dit alles maakt, volgens de gemeente, het ‘architectonisch onbenullige’ gebouw tot een monument.          

Beelden verdwenen
Begin jaren zeventig van de vorige eeuw, toen de school verhuisde naar een nieuw gebouw aan de Berkhouterweg,  zijn volgens Schrickx enkele kenmerkende elementen van het gebouw verloren gegaan. Uit de buitenmuur van het trappenhuis verdween het gebrandschilderde raam met de beeltenis van de heilige Aloysius van Gonzaga aan wie de school haar naam te danken heeft. Het beeld van Aloysius dat, verhoogd, tegen de achtermuur stond, viel aan brokken. Al in de jaren zestig waren de heiligenbeelden, acht in totaal, verwijderd die in een soort nisje boven en aan weerszijden van de deuren tussen de klaslokalen stonden. De in koper uitgevoerde naam van  de school op de voorgevel is, vermoedt Schrickx, ten bate van iemands portemonnee bij een handelaar in metalen.terecht gekomen.

schoolgebouw 
Dus toch een  monument.(foto: archief Westfriese Gemeenten, reproductie Theo Mes)
{mospagebreak title=Eerst een toelatingsexamen}
Eerst een toelatingsexamen

In dit schoolgebouw dat van 29 juli 1942 tot 1 december 1944 bezet werd door  Duitse militairen en in de winter 1944-1945 onderdak bood aan Amsterdammers op voedseltocht, begonnen in september 1948  73 nieuwe leerlingen. Ze hadden in juli toelatingsexamen gedaan, waarbij ze het volgende dictee voorgeschoteld kregen.

 


1.   Een pas bekeerde Amerikaanse dokter schrijft ons het volgende:
2.   Ik reisde in gezelschap van een jonge, Katholieke arts.
3.   Eerst tegen middernacht kwamen wij vermoeid in ons hotel aan.
4.   Ik hoorde mijn reisgenoot belangstellend informeren naar de naastbijgelegen kerk en hoe laat de eerste Heilige Mis daar werd gelezen.
5.   Toen hij vernam, dat dit om 6 uur was, wenste hij om half zes geroepen te worden.
6.   Ik trachtte hem te bewegen toch voldoende rust te nemen na zo’n vermoeiende dag.
7.   Veel antwoordde hij daarop niet en wij gingen maar gauw naar bed.
8.   Werkelijk hoorde ik hem de volgende ochtend in alle vroegte het hotel verlaten om naar de H.Mis te gaan.
9.   Toen begon ik erover na te denken, wat toch voor mijn collega de godsdienst wel betekende.
10. Dat werd het begin van mijn bekering.


Inhoud geen probleem
Een eerste stap naar bekering tot, ‘natuurlijk’, het katholieke geloof. Het katholicisme was voor ons, meisjes en jongens die halverwege de jaren dertig geboren zijn, het enige ware geloof. Aanhangers van een andere godsdienst zaten op het verkeerde spoor en zouden tot onze manier van geloven gebracht moeten worden. En onder niet-gelovigen bevond zich de anti-christ, de godloochenaar, veroordeeld tot de hel. Het was de tijd ook van wat het voorgeborgte werd genoemd, het ‘gebied vlak onder de hemel’, waar baby’s in terecht kwamen die waren gestorven voor ze gedoopt hadden kunnen worden. Die baby’s mochten trouwens alleen worden begraven in een hoekje ongewijde aarde van het katholieke kerkhof. Op het grafje mocht geen steen of  kruisje worden geplaatst. Het was alsof zo’n baby nooit bestaan had…
Het dictee was in de sfeer van het katholieke West-Friesland van toen een  begrijpelijk en aanvaardbaar verhaaltje. Dus waren inhoud en strekking geen probleem voor de vele tientallen die in de zomer van 1948 toelatingsexamen deden.  

Oorlogsjaren
Uit alle hoeken en gaten van West-Friesland waren ze gekomen.  Per bus, fiets of trein. De kandidaten uit Hoorn waren te voet. Wie katholiek voortgezet onderwijs wilde volgen, was jarenlang op de katholieke mulo in Hoorn aangewezen geweest. Pas in 1948 begon in Hoorn het katholieke Werenfridus-lyceum. Later kregen Lutjebroek, Wervershoof en Spanbroek een katholieke mulo of mavo. De meeste meisjes en jongens die zich voor het toelatingsexamen in Hoorn hadden aangemeld, waren twaalf jaar. Ze waren net bekomen van vijf oorlogsjaren. Daarin had vooral de winter van 1944-1945 veel invloed op het onderwijs gehad. Onderwijzers die de Arbeitseinsatz (tewerkstelling als dwangarbeider in een fabriek in Duitsland) wilden ontlopen, waren ondergedoken. Anderen die zich actief tegen de Duitse heersers verzetten, hadden vaak ook reden zich een tijdje niet te laten zien. Soms ook hadden de bezetters schoollokalen gevorderd. Maar vooral het gebrek aan kolen  voor de kachels was er de oorzaak van, dat in die winter veel weken en soms maanden geen les kon worden gegeven. Het was de hongerwinter, waarin  honderden uitgehongerde Amsterdammers met handkarren naar het West-Friese platteland sjokten, om er voor geld, maar vooral door de ruil van vaak waardevolle voorwerpen, leeftocht te bemachtigen. Die winter met zijn voedselschaarste had onder de plattelandsbevolking wel veel ongemak veroorzaakt, de mensen waren er niet gezonder op geworden, maar in West-Friesland was altijd nog wel aan eten te komen.  

Niveaus
Toelatingsexamens waren in die jaren de gewoonste zaak van de wereld. Cito-toetsen bestonden niet, de niveaus van de lagere scholen in West-Friesland waren zo verschillend, dat geen school voor voortgezet onderwijs er van op aan kon, dat de betere zesde klassers geschikt waren zonder meer toegelaten te worden. Veel lagere scholen gaven een of meer middagen in de week extra lessen aan leerlingen die voor voortgezet onderwijs gekozen hadden. Het toelatingsexamen was zo belangrijk dat het Noordhollands Dagblad geen moeite had eerst de aankondiging ervan en later het bericht met de namen van de geslaagden te plaatsen. Nog vele jaren nadien was het ook gebruikelijk dat die krant de namen publiceerde van de meisjes en jongens die in het voortgezet onderwijs naar een hogere klas over waren gegaan.

klas 1A in 1948 
Klas 1A in 1948. Bovenste rij v.l.n.r.: Johan Overbeek Hoorn, Frans Dekker Wervershoof, Jaap Schaper Grootebroek, Anton Nipshagen De Weere, Anton van Rooijen Hoorn.
Daar onder: Rem Sijm Venhuizen, Henk van Stralen Oosterblokker, Vera Veul Hem, Nel Bloem Hoorn, Gezina ten Veldhuis Hoorn, Toos Wiering Zwaag, Vera de Geus Westerblokker, Leo Weel Nibbixwoud.
Daar onder: Ria Terra Wognum, Atie Dijkman Hoorn, Dini van der Lee De Goorn, Annie Sijm Westwoud, Tiny Jaspers Hoorn, Riet Ooteman Bovenkarspel, Jopie Appelman De Goorn, Annemarie Broersen Hoorn, Ria Groot Hoorn, Cilia Kwaad Hoorn, Corry Vlaar Hoorn, leraar Post.
Onderste rij:  Jan Tromp Hoorn, Cees Veken Wognum, Henk Kaag Hoorn, Toon de Wit Venhuizen, Wim Klaassen Bovenkarspel,  Appie van Wees Hoorn, Cor Schoof Wervershoof, Karel Kuip Wognum, Wim Holtkamp Hoorn, Kees Kuip Wognum, Simon Vijn Westerblokker, Piet Homan Hoogkarspel.


Afgehaakt
Van de 73 nieuwe eerste klassers van het schooljaar 1948-1949 waren er 33 afkomstig uit Hoorn, 1 uit Zwaag, 3 Hoogkarspel, 1 De Goorn, 3 Westerblokker, 1 Oosterblokker, 1 De Weere, 1 Wervershoof, 2  Westwoud, 4 Hem, 3 Venhuizen, 1 Grootebroek, 7 Bovenkarspel, 3 Spierdijk, 6 Wognum, 2 Spanbroek, 1 Nibbixwoud.

Ze kregen de vakken godsdienst, lezen, schrijven, rekenen, Nederlands, Engels, Frans, Duits, geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur, zingen, tekenen, lichamelijke oefening, meetkunde, algebra en handelsrekenen. Bovendien werden cijfers gegeven voor gedrag en vlijt. Van de tweede klas af vervielen de vakken lezen, schrijven, zingen en tekenen. Boekhouden kwam er bij.

Op 4 september 1950, begin van een nieuw schooljaar, waren nog 32 leerlingen over van de 73 die in 1948 begonnen. De andere 41 hadden onderweg afgehaakt. Ze waren naar de ambachtsschool gegaan, naar een internaat, of gewoon bij een baas gaan werken. De meeste twaalf- en dertienjarigen hielpen destijds immers mee de kost te verdienen voor de gezinnen die vaak groot waren. Eén leerling, Kees Veken uit Wognum, was na het eerste schooljaar naar het Werenfridus Lyceum gegaan.

toelatingsexamen

 

 

het monumentale trappenhuis
Het monumentale trappenhuis. Let op de tegelvoer, de betegelde wanden. Ze zijn nu nog precies zoals  in de jaren vijftig van de twintigste eeuw.  En zo goed als zeker in de oorspronkelijke staat, dus daterend van omstreeks 1936. Dat is het jaar waarin velen geboren werden die in september 1948  via het poortje Achter de Vest hun eerste schreden op het schoolplein zetten.  Dat waren er 73  Ze werden ondergebracht in twee eerste klassen. (Foto: archief Westfriese Gemeenten, reproductie Theo Mes).

3A en 3B
De school kende een driejarige en een vierjarige opleiding, beide voor hetzelfde diploma. De meesten van hen die in 1948 waren begonnen, behoorden in het schooljaar 1950-1951 tot de vierjarige opleiding. Dat waren Annemarie Broersen, Herman Haverbusch, Ad van de Hoogen, Tiny Jaspers, Wim Kaag, Kees Karel, Jan Karel, Jan Kenter, Antoon van Rooijen, Paul Tros, Appie van Wees uit Hoorn,  Loes Bruinenberg Hem, Jan Groot en Simon Vijn Westerblokker, Piet Homan Hoogkarspel, Cor Schoof Wervershoof, Annie Sijm Westwoud, Nico Zuurbier Spanbroek. Dat was klas 3 B.

Verder in de driejarige opleiding, klas 3A, gingen Kees Kuip en Ria Terra Wognum, Nel Bloem, Cilia Kwaad, Corry Vlaar, Jan Tromp, Johan Overbeek Hoorn,  Dini van der Lee De Goorn, Henk van Stralen Oosterblokker, Vera Veul Hem, Toon de Wit Venhuizen, Anton Nipshagen De Weere, Toos Wiering Zwaag, Wim Klaassen Bovenkarspel.

Dit gezelschap van veertien leerlingen in 3A was in het schooljaar 1949-1950 uitgebreid met Simon Beerse Westwoud, Lex Folge Hoorn en Kees Tool Bovenkarspel. Over deze zeventien gaat dit boekje. Voor de volledigheid zij vermeld dat in september 1950 ook Leida Haverkamp, burgemeestersdochter uit Westwoud, in 3A begon. Ze verliet de mulo al in de kerstvakantie. Ze zegt er nauwelijks een herinnering aan te hebben. Ze komt in dit boek dan ook verder niet voor.

{mospagebreak title=Zeventien uit negen gemeenten}

Zeventien uit negen gemeenten

 

Zeventien leerlingen in klas 3A, wonend in negen gemeenten: Berkhout (De Goorn), Blokker, Bovenkarspel, Hoogwoud (De Weere), Hoorn, Venhuizen, Westwoud, Wognum en Zwaag. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verzamelde voor mij de lijsten over het verloop van de bevolking zoals de gemeenten die in keurig handschrift instuurden. Ik heb van elk van de betrokken gemeenten er wat interessante cijfers uit geplukt.

De gemeente Berkhout (Dini van der Lee) telde op 31 december 1900 2343 inwoners, een halve eeuw later 3368. De groei van Berkhout, maar ook van de andere acht gemeenten, was louter te danken aan het jaarlijkse geboorte-overschot (het saldo van de aantallen geboorten en overlijdens). Blokker (Henk van Stralen) had eind 1900 1709 inwoners en op 31 december 1950 2641. Voor de andere gemeenten waren die cijfers als volgt: Bovenkarspel (Wim Klaassen, Kees Tool) 1871 en 3729, Hoogwoud (Anton Nipshagen) 2126 en 2562, Hoorn (Nel Bloem, Lex Folge, Cilia Kwaad, Corry Vlaar, Johan Overbeek, Jan Tromp) 10.804 en 14.787, Venhuizen (Vera Veul en Toon  Wit) 1889 en 3549, Westwoud (Simon Beerse) 995 en 1494, Wognum (Ria Terra, Kees Kuip) 1668 en 2690, Zwaag (Toos Wiering) 1069 en 2343.

Zuigelingensterfte
In de laatste twintig jaar van de negentiende eeuw en de eerste twintig van de vorige eeuw haalden veel kinderen in ‘onze’ negen gemeenten de eerste verjaardag niet. Grote zuigelingensterfte was een algemeen landelijk beeld. Daarna werd het steeds beter als gevolg van de oprichting overal in het land van consultatiebureaus.

In de gemeente Berkhout  stierf tussen 1881 en 1900 vijftien procent van de kinderen binnen een jaar na de geboorte. In Blokker 18 procent, Bovenkarspel 20, Hoogwoud 13, Hoorn 18, Venhuizen 16, Westwoud 18, Wognum en Zwaag 17 procent. De meer stedelijke samenleving van Hoorn sprong er dus niet positief uit.
In de periode 1901-1920 waren de sterftepercentages voor kinderen tot één jaar: Berkhout 10, Blokker 12, Bovenkarspel 13, Hoogwoud, Hoorn en Venhuizen 9, Westwoud 14, Wognum 13, Zwaag 12.
In de periode 1921-1940: Berkhout 6, Blokker, Bovenkarspel, Venhuizen, Westwoud en Wognum 5, Hoogwoud en Zwaag 4, Hoorn 3.
En van 1941 tot 31 december 1950: Berkhout 3, Blokker 4, Bovenkarspel 4, Hoogwoud 3, Hoorn 4, Venhuizen 5, Westwoud 3, Wognum 5, Zwaag 4.
In de percentages heb ik de cijfers achter de komma naar boven of beneden afgerond.  
In 1998 stierf 5,2 pro mille van de kinderen voordat ze één jaar waren geworden.
Zuigelingensterfte had verschillende oorzaken. Bij onvoldoende borstvoeding of het uitblijven ervan, werd de zuigeling  gevoed met onverdunde koemelk. Die bevat teveel koolhydraten, gaat gisten, geeft veel zuur, de zuigeling krijgt diarree, raakt in coma en overlijdt. Zuigelingen kregen ook wel darmtuberculose, als melk gebruikt werd van een veestapel die niet tbc-vrij was. Ook overleden veel zuigelingen aan een infectieziekte als gevolg van slechte hygiëne.
  
Niet de oudste, wel de kleinste
Wat was Hoorn in die jaren? Geen Grote Waal, Risdam, Kersenboogerd. En Zwaag en Blokker waren nog zelfstandige gemeenten. Niettemin vonden uit de dorpen komende buitenpoorters, door de Horinezen steevast ‘boeren’ genoemd, Hoorn een hele stad. In ‘Ach lieve tijd, zeven eeuwen Hoorn en zijn bewoners’ lees je alles over de centrale functie van Hoorn in het verleden. Maar wat de leeftijd betreft is Hoorn in West-Friesland volgens ‘Ach lieve tijd’  niet nummer één. Ofschoon daar in jaartallen niet het bewijs voor wordt geleverd, noemt het boek een rijtje dorpen die ouder zouden zijn dan Hoorn: Scellinchout, Swaegh, Oesthuysen, Hogentwoud, Schardam, Scharwoude, Westenwoude, Nuboxwoude, Oudeboxwoude (Hauwert), Bovenkerspel, Grootebroec, Wijdenes, Bennewissen, Oestenwoude, Hem, Wester- en Oosterblocweer. Een halve eeuw geleden was  Hoorn in oppervlakte zelfs de kleinste van ‘onze’ negen  gemeenten. Volgens het CBS hadden die gemeenten in 1951 in vierkante kilometers land gemeten (dus het water niet meegerekend) de volgende oppervlakten: Berkhout 24,33 km2, Blokker 13,8, Bovenkarspel 8,17, Hoogwoud 23,15, Hoorn 6,4, Venhuizen 19,12, Westwoud 13,34, Wognum 16,41 en Zwaag 7,59 km2.  

De belangrijkste
Hoewel Enkhuizen en Medemblik zich dit niet graag lieten welgevallen, was Hoorn door zijn meer centrale ligging onmiskenbaar de hoofdplaats van West-Friesland. We gingen er naar school in een rustige tijd. Weinig verkeer, auto’s waren een zeldzaamheid, niemand kende het woord file. Werkgelegenheid had  West-Friesland vooral in de tuinbouw, de fruitteelt, de veehouderij en in aanverwante bedrijven, zoals tuinbouwveilingen en melkfabrieken. Tuinbouwveilingen waren er in Opperdoes, Medemblik, Grootebroek, Hem, Hoogkarspel, Avenhorn, Wognum, Zwaag en Blokker. Bovenkarspel had een bloembollenveiling. Melkfabrieken waren er in Hoorn, Bobeldijk, Berkhout, Ursem, Opmeer, Westwoud. Hoorn had bonbonfabriek De Hoop, metaalwarenfabriek Scholten, de Hoornse Broodfabriek, koekjesfabriek Wigmans & Schouten, enkele drukkerijen, grossierderijen, ‘natte’ Schermer als producent van alcoholische dranken, veel winkels, ook een warenhuis van V & D en de winkel waarin Japie Blokker de basis legde voor de winkelketens van Blokker. Aan het Pelmolenpad stond een ijsfabriek, waar staven ijs gemaakt werden voor onder anderen de ijsboer en visboer die met hun karren door de straten gingen. En vergeten we niet het Stadsziekenhuis, ziekenhuis De Villa en het Sint Jans Gasthuis, de Kamer van Koophandel, waterschap Drechterland, het kantongerecht, het ziekenfonds. 
In en buiten Hoorn was veel  werkgelegenheid in de middenstand. Het wemelde in steden en dorpen van kleine winkeliers en ambachtslieden. Doe-het-zelfzaken moesten nog uitgevonden worden, de eerste bescheiden zelfbedieningswinkels begonnen in 1949 in Velsen-noord (Deka) en Nijmegen.

Communicatie
Kappers hadden scheerklanten. Electrisch scheren was onbekend. De meeste mannen gingen bij de kapper onder het mes. Velen twee keer in de week, anderen slechts eenmaal. Paard en wagen zag je nog volop. Dat betekende werk voor de hoefsmid, die ook land- en tuinbouwgereedschap repareerde, en vaak ook zelf maakte. Praktisch iedereen stookte de kolenkachel, dus kwam de kolenboer aan de deur. Welk huis zal een douche gehad hebben? Velen kookten het eten op een petroleumstel, de olieboer kwam bijna huis aan huis. Wat wisten we van de wereld? Televisie bestond nog niet, lang niet elk gezin had een radio, weinigen beschikten over telefoon. De krant moest uitkomst brengen. Een katholiek gezin werd geacht het Noordhollands Dagblad te lezen, aanvankelijk nog Nieuw Noordhollands Dagblad geheten, met bij de kop in kleine letters de tekst Buiten God is ‘t nergens veilig (Vondel). Sommigen lazen De Volkskrant, een arbeiderskrant, nauw gelieerd aan de KAB, katholieke arbeidersbond. Hoe verliep de communicatie verder? Die verliep niet, tenzij door de dorpsomroeper. Of als West Frisia uit Enkhuizen, West-Frieslands sterkste voetbalclub, op eigen veld  moest spelen, keken we ‘s ochtends of op de motorkap van de Naco-bus een roodgeel vlaggetje hing. Zo ja, dan ging de wedstrijd door. De voetbaluitslagen trof je zondagmiddag van half vijf af bij het kantoor van het Noordhollands Dagblad op het Grote Noord in Hoorn en bij de  Enkhuizer Courant in Enkhuizen. Uitslagen van de verkiezingen kon je op dezelfde adressen vinden. Had een gezin iets voor de wasserij,  dan zette je een kaart met de naam van de wasserij voor het raam en het wasgoed werd opgehaald. Ook voor de vrachtrijders die in Hoorn allerlei boodschappen voor de gezinnen in de dorpen deden, waren er van die kaarten.

De kerk
De invloed van de katholieke kerk in West-Friesland was groot. Katholieke verenigingen hadden een geestelijk adviseur, die zich vaak ook met algemene onderwerpen in de vereniging bemoeide. Je had de zondagsplicht. Ieder moest elke zondag een mis bijwonen. Zaterdagavond en zondagavond was er een lof, vaak op zondagmiddag een vesperdienst. Sportboefening was op zondag pas toegestaan na ‘s middags twaalf uur. Je was een held als je het lef had de pastoor te vragen of je zondagmiddag bloemkool van het land mocht halen. Dinsdag, donderdag en zaterdag was in Bovenkarspel ‘om zeven uur schoolmis met algemene heilige communie voor de schoolkinderen’. Andere dorpen kenden iets soortgelijks. Elke eerste vrijdag van de maand moesten de mulo-leerlingen ‘s ochtends voor schooltijd naar de kerk op het Grote Noord.  Schoolhoofd Holtkamp liet in de kerk briefjes uitdelen, elke maand een andere kleur, en wee je gebeente als je later in de klas geen briefje kon laten zien of  een briefje met de verkeerde kleur uit de mouw schudde.

Schaarste
Nederland beleefde eind jaren veertig nog de naweeën van de Tweede Wereldoorlog. Er was grote woningnood. Wie alleen woonde, kon er zeker van zijn dat de overheid hem dwong een deel van zijn huis ter beschikking te stellen aan anderen. Trouwlustigen moesten  jaren wachten voor ze in aanmerking kwamen voor een woning. Het was de gewoonste zaak van de wereld dat jonggehuwden bij ouders in gingen wonen. En er was nog distributie, overblijfsel van de schaarste die de Tweede Wereldoorlog had veroorzaakt. In de oorlogsjaren was bijna alles op de bon geweest: vlees(ch), brood, textiel, schoenen, melk, bloem, vet, koffie(surrogaat), meel, vet, suiker, zout. Na de bevrijding waren productie en distributie van de eerste levensbehoeften weer langzaam op gang gekomen. Maar pas in 1948 gingen schoenen van de bon, en in 1951 de koffiebonen. In 1950 nog kon ik klasseleraar  Willems aan een kilo suiker helpen, die hij in Hoorn niet had kunnen krijgen. 

Politiek
Andere zorgen? De politionele acties waarmee Nederland  het streven naar onafhankelijkheid van Nederlands-Indië probeerde tegen te gaan. Ook vele honderden jongemannen uit West-Friesland werden in militaire dienst geroepen. Voor velen was de reis naar de kazerne de eerste keer dat ze buiten hun geboortestreek kwamen. De meesten kwamen heelhuids terug uit wat  nu Indonesië heet. Onder de enkele duizenden Nederlanders die sneuvelden, waren tientallen West-Friezen. Veel jongens kwamen niet naar Nederland terug, maar emigreerden vanuit het land waar de politiek hen had laten strijden,  meteen naar Australië, Nieuw Zeeland, Canada.  
Intussen was Nederland druk bezig met de wederopbouw, maar ook met debatten in de politiek over de viering van bevrijdingsdag. Het leek voor de hand te liggen dat Nederland elk jaar op 5 mei de bevrijding zou vieren met een vrije dag. Maar minister Drees van Sociale Zaken vond dat te kostbaar voor het bedrijfsleven. In 1948 kreeg iedereen op 5 mei ‘s middags om vier uur vrij en in 1950 mocht het eerste lustrum van de bevrijding gevierd worden met een halve vrije dag. 

stamkaart
Met een stamkaart als deze, van mijn vrouw Anna,Maria Grippeling, kon je in de Tweede Wereldoorlog en de eerste jaren erna bij de gemeente  distributiebonnen halen. Tenzij je geld genoeg had om via de zwarte handel de spullen te kopen die je dacht nodig te hebben, kon je  alleen  met die bonnen schaarse artikelen op de kop tikken.
In de oorlog was ook sprake van enorme ruilhandel. Etalages stonden vol met spullen die aangeboden werden in ruil voor bij voorbeeld een mud aardappelen, een kaas, vijf kilo bruine bonen, twee pond boter om maar enkele  voorbeelden te noemen.


{mospagebreak title=Vier huizen voor 38 mille}
Vier huizen voor 38 mille

En natuurlijk werd van dit alles verslag gedaan in het (Nieuw) Noordhollands Dagblad waarvan ‘onze’ gezinnen de editie West-Friesland lazen. Wat bracht die krant, onder het wakend oog van een toezichthouder namens de bisschop, nog meer aan wetenswaardigheden?  Ik heb maar wat gegrasduind. 
Een advertentie begin september 1948: ‘Maandag 13 Sept. per autocar naar de Jaarbeurs te Utrecht ƒ 4,50 per pers. Wed. C. Kuip & Zonen Wognum. Telef. 3407’
Ook in een advertentie de aankondiging van op zondag 12 september de vierde Katholieke Westfriese Jongerenlanddag. Spreker Z.E. Hr. Henri de Greeve. Aanvang 1.45 uur. Missiehuis Hoorn. Vrijdag 10 september 1948 de kop ‘De competitie Afd. Noord-Holland loopt van stapel. Wat is de taak van onze R.K. clubs?’
Een jaar later, in september  1949. Advertentie van VIVO: ‘1 fles bleekwater 20 cent, 1 fles amonia 21 cent, 1 pakje waspoeder 23 cent is 64 cent, 1 potje meubelwas 00 cent, samen 64 cent’.

Moderne publiciteit
Woensdag 21 september 1949 vergaderde de gemeenteraad van Blokker. Onder de kop ‘B en W grijpen naar moderne methode van publiciteit’ doet het Noordhollands  Dagblad er verslag van. Een citaat: ‘Om het publiek zowel in het binnenland als in het buitenland meer vertrouwd te maken met de producten welke in Blokker gekweekt worden, werd het voorstel aangenomen tot het verlenen van een crediet van ƒ 225,- voor het doen vervaardigen van een sluitzegel van de gemeente in een oplaag van 10.000 stuks.’ De sluitzegel zou alleen betrekking hebben op de fruitteelt. De stamboekfokkerij komt later aan de beurt, zei de voorzitter. In hetzelfde verslag wordt gemeld dat vijftien bedrijven ingeschreven hadden voor de bouw van vier woningen aan de Kolenbergstraat. De laagste was Weel en Zn. te Grootebroek met een bedrag van 38.150 gulden. .       
Verplichte loonsverhoging
Bericht in de krant van zaterdag 2 september 1950. ‘R.K.School voor ULO te Hoorn. Het tweede toelatingsexamen wordt a.s. Maandag gehouden op school van 9 tot 12 uur. Aanmelding is mogelijk tot Maandagmorgen kwart voor negen.’ Op de voorpagina van dinsdag 5 september maken de schoenmakerpatroonsbonden bekend dat schoenreparaties vijftien procent duurder worden in verband met de zeer verhoogde prijzen van alle grondstoffen. Op dezelfde voorpagina protesteert de vakgroep van de sigarettenindustrie bij de Eerste en Tweede Kamer tegen een verhoging van de omzetbelasting op sigaretten en een verlaging van die voor sigaren. De gemiddelde prijs per pakje van twintig sigaretten zou daardoor stijgen van ƒ 0,75 naar ƒ 1,05. In het belang van de consument zou dat niet mogen, meent de vakgroep.
Donderdag 7 september kondigt de regering in een bericht op de voorpagina een verplichte loonsverhoging aan van vijf procent met een maximum van 180 gulden per jaar.

Kolenzeefjes
Een curieus bericht in de krant van zaterdag 24 september 1949: ‘In verband met de viering van de 70ste verjaardag van onze directeur, de heer E.J.M. Stumpel, verschijnt de krant vandaag op een vroeger tijdstip tengevolge waarvan enige berichten en verslagen vandaag niet konden worden opgenomen.’
In een advertentie deelt Magazijn Krop die dag mee dat de kacheltijd weer in aantocht is. Krop biedt onder meer aan kachelhaakjes 15 cent, kolenzeefjes vanaf 129 cent, naadloos vertinde bedkruiken met koperen sluiting 2,65 en babymodel 2,35.
En bakker Smit, Ramen 10, adverteert met ‘Spoorbanket van alleen amandelen dus echt vooroorlogs 50 cent per 100 gram’.
En natuurlijk doet het Noordhollands Dagblad op maandag 26 september uitvoerig verslag van de huldiging van ‘onze 70-jarige directeur’. In het bedrijf werd een bronzen plaquette met de kop van Stumpel onthuld. In zijn dankwoord wijst de directeur er op dat alles aan God te danken is.

Broekpijpknijpers
Nogmaals september 1950.  Advertenties van Kofa Botman, S.I. de Vries, Iepenga, Bruggemann. En van P.M. van Wijk: ‘Heren houdt uw broek fijn in de plooi met een kleerhanger met broekpijpknijper ƒ 1,75 en ƒ 2,25’. Hij had scheerkwasten voor ƒ 2,25 en ƒ 2,95 met een jaar garantie. Lederbedrijf Veldhuis: ‘Jongensbretels ijzersterk slechts 0,68’.
Fa. Böckmann, Kleine Noord: ‘De nieuwe Flink hulpmotor. Onder het fietsen schakelt u de motor in. Daarom wees link, koopt een Flink ƒ 250,-’. Böckmann was ook ruim gesorteerd in naaimachines: Kayser, Gritzner, Sigma, Anker, Phoenix, Electra, Gazelle.
Een advertentie van Moeijes en Hartog: ‘Philips- en N.S.F.radio. Zeer grote sortering. Ook op termijnbetaling vanaf ƒ 1,96 per week. Vooruitbetaling ƒ 16,25.’
En we herinneren ons nog andere adverteerders uit die tijd, zoals P. de Gruyter en Zn. (snoepje van de week), Simon de Wit, Au Bon Marché en Galeries Modernes (Franse Bazar).
 
{mospagebreak title=Nog geen tien miljoen inwoners}
Nog geen tien miljoen inwoners

In wat voor land leefden we ? Het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft de cijfers. In 1948 telde Nederland 9,716 miljoen inwoners: 4,838 miljoen mannen, 4,878 miljoen vrouwen. Er waren 3,615 miljoen meisjes en jongens in de leeftijd tot 19 jaar. Twee jaar later waren er 10,027 miljoen inwoners, het aantal vrouwen had intussen de 5 miljoen overschreden, het aantal mannen nog net niet. In de leeftijdscategorie 0-19 jaar waren er 3,7 miljoen inwoners. .
En hoe is het nu? Op 1 januari 2000 had Nederland 15,848 miljoen inwoners: 7,837 miljoen mannen en 8,011 miljoen vrouwen. In de leeftijdscategorie 0-19 jaar waren er 3,8 miljoen, iets meer dus dan een halve eeuw geleden.  
In 1946 werden 107.000 huwelijken gesloten, in 1950 nog ‘slechts’ 83.000, naar schatting zullen dat er in dit eerste jaar van de nieuwe eeuw 84.600 zijn. Mannen trouwden in 1950 op gemiddeld 30-jarige leeftijd, bruiden waren gemiddeld 26,9 jaar.  Tegenwoordig trouwen de meisjes  gemiddeld als ze even boven de 31 zijn en de jongens zijn gemiddeld al 34 voor ze het er op wagen.
Het geboorte-overschot in 1945, het verschil dus tussen het aantal geboorten en het aantal overledenen, bedroeg 68.000. En toen kwam de geboortegolf van na de oorlog. In 1946 werden 204.000, in 1948 175.000, in 1950 154.000 meer mensen geboren dan er overleden. In 2000 zal naar verwachting het geboorte-overschot 56.600 bedragen. 
In de periode 1946-1950 konden pas geboren meisjes verwachten dat ze 71,3 jaar zouden worden en jongetjes 68,7 jaar. Die levensverwachting bedraagt in het jaar 2000 voor meisjes 80,6  en voor jochies 75,3 jaar.
Als ongehuwd samenwonen  vijftig jaar geleden ooit voortkwam, sprak iedereen er schande van. Eind jaren zestig van de vorige eeuw begon een lichte kentering  Begin jaren zeventig, zo laat het CBS weten, had van elke tien 20- tot 24-jarigen er één samengewoond. In de jaren negentig was dat opgelopen tot ongeveer 7,5. Acht van de tien jongeren tussen de 25 en 29 jaar met huwelijksplannen hebben eerst samengewoond. Ouderen beschouwen samenwonen gelijkwaardig aan het huwelijk en dus peinst 75 procent van de 35- tot 39-jarigen die samenwonen, er niet over ooit te trouwen.  

Religie
Lang niet van alle jaren in de eerste periode na de oorlog heeft het CBS cijfers. Daarom zijn vergelijkingen per jaar niet altijd mogelijk. In het bestek van dit boekje is dat ook niet zo belangrijk. Aanduidingen zeggen ook al iets. In 1947 was 39 procent van de Nederlanders boven de 18 jaar  katholiek, 31 procent Nederlands hervormd, 10 procent gereformeerd, 4 procent liet weten tot een ander kerkgenootschap te behoren en 17 procent zag de kerk alleen van de buitenkant. Let wel, de percentages zijn afgerond, waardoor je opgeteld boven de 100 procent kunt komen 
Hoe godsdienstig is Nederland tegenwoordig? In 1998 was 31 procent katholiek, 14 procent Nederlands hervormd, 7 procent gereformeerd, 9 procent had een andere godsdienst en 40 procent had geen godsdienst.    

 treinwagon
De trein zoals die tussen Enkhuizen en Amsterdam reed. (foto: archief  Nederlandse Spoorwegen).

Te voet en per as

In 1948 had Nederland 228.000 landbouwpaarden (inclusief pony’s) van drie jaar en ouder, in 1950 214.000 en in 1999 116.000. Andere cijfers van 1950: de Nederlandse industrie maakte 20,7 miljoen paar schoenen. In het verkeer vielen 1021 doden en  19.533 gewonden. Op 31 december 1950 telde Nederland 139.000 personenauto’s. Daarvoor was 121 kilometer autosnelweg beschikbaar. De benzine, andere dan loodhoudende was er niet, kostte 28,5 cent per liter. Op 1 januari 1998 had ons land 2.235 kilometer snelweg en meer dan 6 miljoen personenauto’s. 
Het spoorwegnet had in 1948 een lengte van 3347 kilometer, in 1950 3204 kilometer en in 1998 2808 km. Het aantal personenrijtuigen van de NS, met tussen haakjes het aantal zitplaatsen, bedroeg in 1948 1364 (76.000), 1950 1734 (102.000), 1998 2723 (197.000). Aantallen vervoerde reizigers 1948: 178 miljoen, 1950: 158 miljoen, 1993: 333 miljoen, 1998: 321 miljoen. .            

Het dagelijkse leven
Met paard en wagen,  de transportfiets, de bakfiets of te voet met de handkar kwamen de middenstanders nog aan de deur voor het noteren van bestellingen en het afleveren van hun goederen. Melk kostte in 1950 20 cent per liter, belegen Goudse kaas ƒ 3,22 per kilo, roomboter ƒ 2,38 per pond, margarine 71 cent per pond, kippeneieren 18 cent per stuk, aardappelen drie stuivers per kilo, suiker 75 cent per kilo, koffiebonen ƒ 2,61 per pond, runderlappen ƒ 3,64 per kilo, varkenslappen ƒ 3,74 per kilo. Maar wat kon een eenvoudige arbeider zich van dit alles veroorloven als hij in z’n wekelijkse loonzakje nog geen vijftig gulden aantrof ?. Maar gelukkig, electriciteit kostte slechts 10,1 cent per kilowatt. Van luchtverontreiniging hadden we nog nooit gehoord. Natuurlijk produceerden we huisvuil: per inwoner 145 kilo over het hele jaar 1950. De melk werd nog los aan de deur geleverd, of in glazen flessen gehaald of gebracht. Stroop kon je los bij de kruidenier halen in een potje, suiker en zout werden afgewogen in een papieren zak, verpakkingen van kunststof  bestonden niet.

Ziek en zeer
Nederland was op 31 december 1950 261 ziekenhuizen rijk met 41.900 bedden. De gemiddelde verpleegduur was 22 dagen, in 1999 nog slechts 8,6 dagen. Je kunt trouwens nu na een, vijftig jaar geleden onmogelijk geachte,. hartoperatie al na acht dagen thuis zijn.  In 1998 waren er nog 143 ziekenhuizen met in totaal 57.825 bedden. Er waren in 1950 3482 huisartsen, in 1998 7450. Er werden in 1950 16.108 gevallen van tbc aangemeld, 77 van kinderverlamming, 163 tyfus, 449 malaria, 282 nekkramp. Van tbc als volksvijand nummer één is weinig overgebleven. Het laatst bekende, nog voorlopige,  cijfer is van 1998: 1342 aangegeven gevallen. Andere cijfers van 1998: kinkhoest 2252, malaria 250, schurft 1119, nekkramp 505 gevallen. Cijfers over contacten met huisarts, tandarts, opnamen in ziekenhuis van een halve eeuw geleden zijn er niet. Ook ontbreken uit die tijd cijfers over het algemeen maatschappelijk werk, kindercentra, woonvoorzieningen voor gehandicapten, gezinszorg, woonwagencentra, bejaardenhuizen en over etnische minderheden. Er waren toen trouwens nog nauwelijks bejaardencentra, woonwagenbewoners leidden een zwervend bestaan, en wat zal er geweest zijn op het gebied van gezinszorg, maatschappelijk werk en kindercentra?. Het gemiddelde leven was niet echt gecompliceerd. Etnische minderheden? Nederland had Chinezen die een restaurant uitbaatten, gastarbeiders kwamen pas in de jaren zestig, het woord asielzoeker kende niemand.

Geen vrede
Pais en vree? Nee. Een Nederlands detachement vrijwilligers behoorde tot de strijdkrachten van de Verenigde Naties die het onder Russisch beheer staande Noord-Korea terugdreven uit het na de capitulatie van Japan onder Amerikaans toezicht geplaatste Zuid-Korea.. Pas op 13 juni 1953 kwamen de twee Korea’s een wapenstilstand overeen. En die is er nog steeds. Sinds kort zoeken Noord- en Zuid-Korea  voorzichtig toenadering tot elkaar.  Eind 1949 werd Indonesië zelfstandig. Dus was 1950 voor Nederland het eerste jaar zonder zijn kolonie Nederlands-Indië. Het KNIL, Koninklijk Nederlands-Indische Leger, kon worden opgeheven. Dat leger telde veel Zuid-Molukkers, als militair met hun gezin voornamelijk wonend op Java. Ze wilden het KNIL alleen verlaten als ze op de Molukken konden wonen. De Indonesische regering verbood dat. Daarop weigerden ze de Nederlandse legerdienst te verlaten. Het antwoord van de Nederlandse regering was het dienstbevel om naar Nederland te gaan. Omtrent vierduizend Zuid-Molukse militairen kwamen tussen maart en mei 1951 met hun gezin naar Nederland om er tijdelijk te verblijven. Bijna een halve eeuw later wonen de families hier nog. Ze zijn volledig in de Nederlandse samenleving geïntegreerd.

DAF en Keukenhof
In 1950 opende DAF in Eindhoven een fabriek voor vrachtwagens. Voorbehoedsmiddelen mochten volgens het Wetboek van Strafrecht niet in het openbaar te koop worden aangeboden. Toen de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming in Den Helder per aanplakbiljet de verkoop van condooms bekend maakte, deed de politie een inval en nam de hele voorraad in beslag. In Lisse verrichtte landbouwminister Mansholt de officiële opening van De Keukenhof. De woningnood was zo groot dat becijferd werd dat minstens 300.000 nieuwe woningen nodig waren om iedereen fatsoenlijke huisvesting te kunnen bieden. Er werden in 1950 47.300 nieuwe woningen opgeleverd. Plannen voor nieuwbouw betroffen Nagele, een nieuw dorp dat in de Noordoostpolder gesticht zou moeten worden. En Papendrecht moest een nieuwe wijk voor Rotterdam worden met galerijflats als primeur voor Nederland. Amsterdam mikte op Tuindorp Oostzaan. Citroën baarde opzien met de 2CV, het lelijke eendje dat ongeveer 4000 gulden kostte, vijfhonderd gulden minder dan de Volkswagen Kever. Auto’s waren een luxe en als je je een  Kever kon veroorloven, had je het materieel ver geschopt. Toch zag je ook Studebakers en Chevrolets, waar je 14 of 16 mille voor moest neertellen.

stationrestauratie
De stationsrestauratie was in de wintermaanden een geliefde plek voor de scholieren die ver voordat de school begon, per trein of bus in Hoorn waren aangekomen. Ze hadden meestal geen cent te verteren, donderjaagden er op los en werden er door de ober dan ook snel uitgekegeld. Deze foto is gemaakt in de oorlogsjaren. Als je delen van de foto uitvergroot, kun je zien dat in het krantenrek achter de vrouw de NSB-krant Volk en Vaderland hangt.
Rechts en links achter haar hangen de lijsten met de prijzen, uitgedrukt in centen. Versnaperingen van boven een piek zullen er in die tijd niet of nauwelijks geweest zijn.  Let op: witte en roode port 30, pale sherry 35, vermouth 35, Valencia 20, pilsener bier 20, Victoriawater 20, champagnepils 25, kwast 15, spuitwater 15, limonade 25, koffie en thee 15, melk 12, chocolade 20, bouillon met beschuit 15. Een stukje Deventer koek en een amandelbroodje kostten drie stuivers Links van de vrouw staat een vitrinekast van Bensdorp. (foto: archief Nederlandse Spoorwegen).

{mospagebreak title=Een kleine, overzichtelijke school}
Een kleine, overzichtelijke school

We gingen zes dagen per week naar school. Woensdagmiddag en zaterdagmiddag vrij.  Wie van buiten Hoorn kwam, nam bij voorkeur de fiets. Bromfietsen zag je nog nauwelijks. Ik herinner me een schoolkrant  waarin de onwaarschijnlijk geachte   toekomst werd geschetst van scholieren die gemotoriseerd naar Achter de Vest tuften.Holtkamp Ja, door een poortje aan  Achter de Vest gingen we naar de school met  Onder de Boompjes de hoofdingang. Zal ooit één leerling door de voordeur naar binnen zijn gegaan?. Misschien een leerling die, zo werd wel verteld, bij Jamin bonbons was wezen halen voor schooldirecteur H.G. Holtkamp.  Hij was een man die snoepte. Ik herinner me dat hij kauwend de klas binnenkwam om de klok in het lokaal gelijk te zetten. Holtkamp, een begaafd man, leraar, administrateur, manus(je) van alles. In oude absentieboeken kom je zijn met de hand geschreven overzichten tegen van de aantallen leerlingen in de loop van een schooljaar. En een ook met de hand geschreven brief  waarin hij de burgemeester van Berkhout er op wijst dat een leerling die de mulo heeft verlaten, nog leerplichtig is. Holtkamp kreeg z’n eigen briefje terug, met op de achterkant getypt het antwoord van de burgemeester.

Zangles
De Aloysius-mulo was in die tijd een kleine school met gemiddeld omtrent 200 leerlingen. Een overzichtelijke school, met leraren die de leerlingen persoonlijk kenden en die, daartoe bevoegd of niet, verschillende vakken gaven.
Herinneringen. In de eerste klas zangles tot ergernis van velen. Ook van leraar Timmermans die z’n rug nog niet naar de klas gekeerd had om wat op het bord te schrijven, of de herrie brak los. Wat zongen we? ‘Drie ganzen in ‘t haverstro, zitten daar en snateren zo’. En ‘De vastenavond die komt an, wij zingen ho man ho’. Ook ‘Din, din din die kwam van Brugge met syn knapsack op syn rug’. 
Als een les uitviel, gingen we de stad in naar het kleine schoenmakerijtje van Arie Koning in de Duinsteeg, achter de toenmalige cafetaria Foko, nu de Oude Rosmolen. Arie was geboren in juli 1888, hij overleed in augustus 1965. Toen wij bij hem binnenstapten en naar zijn door de katholieke godsdienst geïnspireerde wijsheden luisterden, was hij dus goed zestig jaar. Het was een wat zonderlinge man, maar een grote vriend van  de jeugd. Ook leerlingen van het Werenfriduslyceum kwamen hem in een verloren uurtje wel opzoeken. Koning was in zijn jeugd voorbestemd voor een religieuze opleiding. Maar die ging niet door.  Hij werd knecht in de schoenmakerij van het toenmalige garnizoen. Van 1919 af had hij een eigen bedrijfje. Eerst dus achter de Foko, later in het Menistenhofje achter het Gerritsland

Talenhet hofke
In de tweede klas maakten we kennis met wat toen, en misschien nu nog, literatuur heette, Het Hofke van Marie Koenen. Een verhaal dat in Zuid-Limburg speelt en waar leraar Willems, geboren Limburger, soms tranen van in de ogen kreeg. Ons eerste Duitse boek was Emil und die Detektive van Erich Kästner. Kennen we nog rijtjes van de Duitse grammatica, Sprachlehre?  Ausserhalb, innerhalb, oberhalb, unterhalb, diesseits, jenseits, mittels, statt, unweit, während, wegen, längs. Boeken voor de vakken Engels en Frans waren Little Lord Fauntleroy en l’Esclave Blonde.
 
Van Frans, Duits en Engels leerde je veel, maar een gesprek voeren in die talen, dat was andere koek. In de tweede klas leerden we wel het Onze Vader en het Wees Gegroet bidden in Engels, Frans en Duits. Minder aantrekkelijke vakken waren bijbelse geschiedenis en liturgie. Voor het eindexamen moest je van honderd vragen uit de katechismus het antwoord kennen. Domweg uit het hoofd leren. Of je de antwoorden ook begreep, was van minder belang. Wat wordt vereist van de biechteling? Berouw, belijdenis en voldoening.

Cultuur
De school poogde ons ook cultuur bij te brengen. Bij voorbeeld op een middag naar het oratorium Die Schöpfung van Haydn in de Oosterkerk.  Het sprak velen van ons zo weinig aan dat ze in de pauze de kerk verlieten. Het treurspel Joseph in Dothan (we zeiden wel spottend jozef in doodsangst) van Joost van den Vondel moeten we, als ik me goed herinner,  gezien hebben in de Parkzaal. Wie kent nog de zin  ‘Ziet Joseph,  Rachels zoon en Jacobs staf en stut, hier slapen in de hei bij die bemoste put’.? We waren niet te beroerd om het woord put een andere eerste letter te geven.
Aan sport deden we praktisch niets. Met leraar Dekker zo nu en dan naar de gymzaal van de meisjesschool aan de Eikstraat, dat was het wel zo’n beetje.   
Steen des aanstoots was het weekrapport, het grauwe boekje waarin de school aan je ouders liet weten wat je gepresteerd had.  Op maandag moest je het boekje inleveren met de handtekening van een van de ouders.  Er zullen weinig scholen geweest zijn met zoveel deskundige vervalsers van handtekeningen als onze school.

weekrapport

Hoorns laatste molen
Een voor velen nog levendige herinnering is die aan de brand die op 22 april 1950 Hoorns laatste korenmolen ‘De Vergulde Korenaar’ aan het Keern vernietigde. De molen moet toen 200 jaar oud zijn geweest. Van verre afstand was het vuur te zien. Onder de vele toeschouwers ook leerlingen van 3A. In een artikel in het jaarboek 1986 van het Westfries Genootschap blijkt dat een paar weken voor de brand een plan voor restauratie van de verwaarloosde molen klaar lag. En geld voor de restauratie was er ook. Het ging om een bedrag van ƒ 4.865,-. De gemeente Hoorn nam daarvan 1000 gulden voor haar rekening, de provincie en eigenaar W. Beelen elk 800 gulden, vereniging De Hollandse Molen 100 gulden en het Rijk 2165 gulden. In de eerste week van mei zou molenmaker Wagenmaker uit Oostwoud met de restauratie beginnen. De brand zou ‘s ochtends om kwart voor elf zijn ontstaan door vonken uit de uitlaat van een dieselmotor in een gebouwtje naast de molen.

schoolreisje
De eindexamenkandidaten van 1951, behalve Anton Nipshagen en Wim Klaassen die om een of andere reden thuis waren gebleven, gingen een dagje uit onder de hoede van kapelaan Hertzberg en leraar Arie Dekker.
Bovenste rij v.ln.r.: buschauffeur, Simon Beerse Westwoud, Jan Onneweer Oosterblokker, Ina Paauw Hoorn, Vera Veul Hem, Vera Stam Hoorn, Annie Ridder Hoorn, Toos Wiering Zwaag, Corry Vlaar en Corrie Stroet Hoorn, Ria Dekker (dochter van de leraar, als gast mee), kapelaan Hertzberg, leraar Arie Dekker.
Middelste rij: Theo van der Gulik Westwoud, Nel Bloem en Alex Folge Hoorn, Hennie Barnhoorn Oosterblokker, Trees van Alphen Hoorn, Tinie Koopman en Vera de Lange Zwaagdijk, Ans Bos en Toos Schouten Hoorn, Truus de Wit Bovenkarspel.
Onderste rij: Nico Lieshout Hoorn, Harry Klaver Nibbixwoud, Johan Overbeek en Jan Tromp Hoorn, Antoon de Wit Venhuizen, Age Loos Wognum, Henk van Stralen Oosterblokker, Thaam Ruiter Berkhout, Piet Beemster Zwaag, Theo Mes Spierdijk.

de geslaagden van 1951
De geslaagden van 1951 op de voor foto’s op het schoolplein vaak gebruikte plaats, met op de achtergrond de zijmuur van garage Jac Met.

Bovenste rij v.l.n.r.: Theo van der Gulik Westwoud, Nico Lieshout Hoorn, Theo Mes Spierdijk, Thaam Ruiter Berkhout, Henk van Leeuwen Spierdijk, Simon Beerse Westwoud, Jaap van Diepen Abbekerk, Cor Hooiveld Andijk, Pé Plat Nibbixwoud, Jan Onneweer Oosterblokker.
Middelste rij: Anton Nipshagen De Weere, Wim Klaassen Bovenkarspel, Toos Wiering Zwaag, Vera Veul  Hem, Truus de Wit Bovenkarspel, Corie Stroet Hoorn, Trees van Alphen Hoorn, Hennie Barnhoorn  Oosterblokker, Vera Stam Hoorn, Antoon de Wit Venhuizen, Cees Groot Binnenwijzend.
Zittend: Ans Bos Hoorn, Nel Bloem Hoorn, Henk van Stralen Oosterblokker, Harry Klaver Nibbixwoud.

Ook geslaagd, maar niet aanwezig: Alex Folge en Ina Paauw Hoorn.

 

 

Van  de veertien klasgenoten die na twee jaar mulo het examenjaar in gingen, sprak ik er tien. En natuurlijk schreef ik m’n eigen verhaal. Het elftal  werd een dertiental door de Mill Hill-studenten Beerse en Tool die zich in de tweede klas bij ons hadden gevoegd. Dertien persoonlijke hoofdstukjes, gevolgd door een veertiende waarin ik iets schrijf over de drie anderen die in 1948 begonnen. En over Folge die een paar maanden na Tool en Beerse mede-leerling van ons werd.
 
{mospagebreak title=Tuinderszoon werd financieel directeur}
Tuinderszoon werd financieel directeur

Tijdens de reünie van 18 oktober 1998 had ik hem maar even gezien, niet gesproken. Hij leek nauwelijks veranderd, was direct herkenbaar, Simon Beerse. De boekhouder in hem wees mij de weg bij onze telefonische afspraak. Ik hoefde alleen maar op te schrijven wat hij dicteerde. En natuurlijk klopte het. Een afslag zus, een weg zo en zonder enige hinder stond ik voor Simons deur in Mijdrecht.
Na afloop van ons gesprek gaf Simon me zijn ‘curriculum vitae’ mee, gedateerd 5.4.1995. Geen cijfer teveel, geen letter teveel in de beschrijving van zijn arbeidzaam leven dat hij in 1950 laat beginnen bij de Nederlandse Handel-Maatschappij N.V. Ik heb er maar 1951 van gemaakt, want volgens het absentieboek kwam hij op 30 januari 1950 op de mulo. En het eindexamen was in 1951.

Spruiten plukken in de winter

Tuinderszoon Simon uit Oudendijk (ouwedik) in de gemeente Westwoud, was zestien toen hij in de tweede klas begon. Hij kwam van Mill Hill waar hij geprobeerd had pater te worden. De familie had een stolpboerderij  met direct daar achter 3,5 hectare bouwland met aardappelen, bloemkool, spruitkool, uien, wortelen. Een bedrijf zonder mechanisatie, maar al wel met een smalspoor. Het gezin telde drie jongens en vier meisjes. Ieder werkte mee. Planten water geven met de gieter die in de sloot gevuld werd. Spruiten plukken in de winter als er een dikke laag sneeuw lag. Koude handen. Blijdschap als moeder van achter het huis op de fluit blies: konkeltoid. Pauze. Wie kende het woord lunch?

Oorlog
Dat leven op het land was niets voor Simon. Maar wat dan wel? “Echt handig ben ik niet. Ik ben goed in analyseren, maar het uitvoeren zelf heb ik niet meegekregen.” Met een priesterzoon van het dorp als voorbeeld en met ervaring als misdienaar, koos Simon voor het missiehuis Mill Hill in Hoorn. Het was in de laatste winter van de oorlog moeilijk je daar op voor te bereiden. Af en toe werd de school door de Duitsers gevorderd en als die er eens niet waren, kwam het voor dat de kolen op waren, waardoor de kachel koud moest blijven. En dan bleef de school dicht. “Maar meester Van der Vlugt gaf mij en jongens die naar seminarie Hageveld gingen, alvast Franse les.” Simon ging in Westwoud naar school. In de eerste en tweede klas zaten de meisjes en jongens samen bij de nonnen. Van de derde klas af gingen meisjes en jongens apart.

Dubbele boterham
“Mill Hill was een gymnasiumopleiding van vier klassen in Hoorn, twee in Haelen en daarna filosofie en theologie in Engeland. Ik kwam in een klas van twintig jongens, allen uit dorpen rond Hoorn. Ieder had in een grote slaapzaal een celletje met dunne wandjes. Om half zeven opstaan, een bak water halen, aankleden in stilte en naar de kapel voor het ochtendgebed. De rector hield een overdenking, dan de mis, een studie-uur, ochtendgymnastiek, ontbijt, halfuurtje vrij, corveedienst in slaapzaal, recreatiezaal en de gangen. De vloeren waren van hout en voordat je die aanveegde moest je ze met water besprenkelen. Dan begonnen de lessen. Tussen de middag warm eten, bereid door zusters die uit Hongarije waren gevlucht. Er waren er een stuk of tien. Mill Hill had een eigen boerderij en boomgaard, dus we aten veel eigen producten. ‘s Middags weer lessen, om vijf uur als tussendoortje een dubbele boterham met alleen boter. Tot zes uur huiswerk maken en ‘s avonds aten we brood nadat we eerst nog in de kapel gebeden hadden.”

Open mentaliteit
“Maar er was ook ontspanning, zoals klaverjassen, figuurzagen, toneelspelen. Eens in de week hadden we een vrije middag. Soms gingen we dan met de hele klas wandelen, we voetbalden en tennisten ook. Het was een goede tijd. Je leerde samen, je speelde samen, allen waren we in dezelfde positie, net als in militaire dienst. Ik raakte er bevriend met Kees Tool uit Bovenkarspel, die ik op de mulo opnieuw ontmoette. Ik was dikwijls bij Kees thuis. Ik vond de mentaliteit in de Streek veel opener dan ik gewend was in een boerendorp als Westwoud. Dat sprak me wel aan.”

Plantages
Hij slaagde voor het eindexamen, maar wat toen? “Zoekend naar een baan ging ik naar het Arbeidsbureau in Hoorn. Ze boden me aan ziekenfondsbode te worden. Dat leek me niks. Toen ik Kees een keer sprak, zei die ‘kom naar Amsterdam, daar is werk zat’. En dat deed ik  In de kost bij een oom en tante van Kees waar hij zelf ook was. En boekhouder bij de Nederlandse Handel-Maatschappij, voor 90 gulden in de maand.” Simon studeerde ‘s avonds handelscorrespondentie Nederlands, Duits, boekhouden en moderne bedrijfsadministratie. Via Auto Crediet b.v. ging hij naar Koopman en Co., handelmaatschappij in onder meer vorkheftrucks en Alfa Laval separatoren. “Ik was er boekhouder, administrateur van de werkplaats en later verantwoordelijk voor de financiële rapportage aan de directie.”

‘Spin in het web’
Toen Alfa Laval, een Zweeds bedrijf, in 1968 in Nederland een eigen vestiging kreeg, niet te verwarren met de landbouwtak van Alfa Laval in Groningen, kreeg Simon daarvan als controller de financiële verantwoordelijkheid. Hij was directiesecretaris-financieel directeur toen Alfa Laval in 1991 een fusie aanging met Tetra Pak, ook  een wereldwijd werkende onderneming. “Ik zat als een spin in het web in Nederland ter begeleiding van die fusie. Ik was een soort mede-architect van het samengaan van de beide ondernemingen tot het concern Tetra Laval met 125.000 werknemers. In 1996 ben ik met werken gestopt.” Toen ook stopte hij als penningmeester van de interconfessionele Pabo in Amsterdam. Hij is er nog wel algemeen bestuurslid van.

Appartement
Een dochter van Simon is getrouwd met een aannemer die appartementen bouwt in Mijdrecht. Simon heeft er een van gekocht, maar hij is onverwacht alleen overgebleven. Zijn vrouw is begin dit jaar overleden. In de zomer van 1999 zei hij over het appartement: “Het komt mooi op tijd, want een tijdje geleden kreeg ik het al moeilijker als ik hier de trap op moest. M’n longen werken niet meer zoals zou moeten. Nu ik daar een medicijn voor heb, gaat het weer. Maar een appartement is toch veel gemakkelijker, ook voor m’n vrouw.” 
Simon nu: “We hebben allemaal een taak in ons leven. Mijn vrouw heeft die blijkbaar volbracht. Zij heeft een goed leven gehad, ze is een beter leven ingegaan.”  

{mospagebreak title=Sterke vrouw die haar eigen weg koos}
Sterke vrouw die haar eigen weg koos

Het kostte Nel Bloem veel strijd voordat ze besloot naar de reünie van oktober 1998 te gaan. Het Hoornse verleden had voor haar afgedaan, ze wilde er niet aan herinnerd worden. Ze vertelde telefonisch en schreef later over haar broers die alle zeven op jonge leeftijd door een niet te genezen ziekte overleden. Dat verleden knaagde en knaagt nog aan Nel, een krachtige vrouw die in 1948 haar eigen weg koos en die niet meer verliet.
Nel heeft haar leven op schrift gesteld. In de eigen vertrouwde omgeving, thuis in Haarlem-noord bij Jaap Engelmoer, met wie ze in 1973 trouwde.  “Ik was als meisje thuis niet gewenst”, schrijft Nel en ze bevestigt dat als we er later over praten. “Pa had jongens nodig voor de groentenwinkel. Ik schijn als baby altijd wakker te zijn geweest, bijna niet in slaap te krijgen. Ik heb altijd de warmte van ouders moeten missen. Geen van beiden heeft me ooit gekust, m’n hele leven niet.”

Strenge nonnen
Pagina’s vol herinneringen. Aan de kleuterschool, de lagere school in de Eikstraat, strenge nonnen, veel heiligenbeeldjes en kaarsen, blinkende vloeren. “Natuurlijk kende ik veel meisjes, maar ik nam er nooit een mee naar huis. Het was daar immers nooit gezellig. Vader was weg met de groentenwagen, moeder stond altijd in de winkel.” Daarna de naaischool. “Het was oorlog, geen materiaal om te naaien, dus maakten we met de hand jurkjes van papier. De kookles was een ramp. Toch was de naaischool een gunstige tijd in mijn leven. De meeste leerlingen kwamen uit een groot gezin en dat bracht ons tot een vriendschapsband. Weinig lesmateriaal, oude zustertjes, droge juffrouwen, maar wat hebben we gelachen en wat waren we stout.”

Bijles
Tegelijk thuis hard werken. Jongensbroekjes, kousen en sokken stoppen, op maandagochtend alle schoenen op tafel en maar poetsen, de zondagse kleren borstelen en in de kast hangen. De gang vegen, de machine in de winkel schoon maken, er kwam geen eind aan. “Mijn ogen gingen open toen ik zag hoe twee van mijn nichten met het mulo-diploma op zak op kantoor gingen werken. Ik besefte dat ik bijles nodig had als ik ook naar de mulo wilde. Een oude juf op de naaischool gaf bijles Nederlands en daar wilde ik gebruik van maken. Maar wie moest dat betalen? Zakgeld had ik nooit gehad. Intussen was ik als veertienjarige niet meer zo bang voor m’n ouders, ik vertelde hun mijn plan en het ging door. Het toelatingsexamen mulo bracht me goede cijfers, behalve voor Nederlands, m’n lievelingsvak. Ik beklaagde me bij directeur Holtkamp en toen bleek dat het Nederlands was nagekeken door leerlingen.”

De mulo, veel meisjes en jongens die op de fiets van ver buiten Hoorn kwamen. “Soms waren ze drijfnat. Ik heb ze bewonderd. Ik herinner me dat leraar Willems een hekel had aan hun boerentaaltje, daar kon hij vaak over foeteren. De leerstof was voor mij  niet moeilijk, ik ging gemakkelijk over en het eindexamen ging me goed af. Toen ik met het diploma thuis kwam was m’n moeder druk bezig, ‘leg het diploma maar neer’ zei ze en ze ging verder. Ik had de smaak van het studeren te pakken en wilde doorleren, hogerop. ‘Ja’, zei ma, ‘dat dacht ik wel, je gaat je gang maar, van mij krijg je geen cent’.”

Kantoor
Nel ging naar kantoor. Eerst bij de boekhouder van de familie, daarna de veiling in Blokker en ABN in Alkmaar. Het bleek toch niet Nels bestemming. “Ik kwam weinig buiten, voelde me opgesloten, ik smachtte naar de buitenlucht. Maar wat moest ik doen? Iets met een tuin, groente, bloemen. Tot ik een boekje las van Paul Biegel. En dat was het, ik wilde tuinjuf worden.” En dat werd Nel dus. Haar chef bij ABN schoot het lesgeld voor, Nel volgde de meer op huishouden dan op tuin gerichte opleiding in Bergen, in het Limburgse Posterholt  maakte ze zich ‘de groene kant’ van het leraarschap eigen. Als lerares tuin- en plantenverzorging ging ze werken aan huishoudscholen, eerst in St. Anthonis en Cuijk, daarna Raalte en Nijverdal.

De jongens
Alle kinderen Bloem sliepen thuis op één kamer. Op een avond klaagde Theo over koude voeten. “Daar kijken we morgen wel naar”, antwoordde Nel. De volgende ochtend lag hij dood in bed. Nico, Kees, Gerard, Piet de tweelingbroer van Tiny, Jos en nog eens Theo, alle zeven bleken gedoemd om als jonge kerel te sterven. Nel heeft van ieder in het kort de levensloop geschreven. De combinatie vader/moeder bleek voor het bloed van de jongens het kwalijkst mogelijke gevolg te hebben. De eerste tekenen ervan openbaarden zich in hun puberteit. Nel over Jos: “Je kon leuk met hem praten, hij heeft nog net het lyceum gehaald en toen was het gauw afgelopen. Zijn dood heeft moeder gebroken. Ze wou niet meer in de winkel. Pa en moe kochten in Zwaag een tuindershuisje en hebben er een  mooie tijd gehad.” De tweede Theo werd verwend, vertelt Nel. “Moeder droeg hem op handen, ze was zo overtuigd dat dit kind zou blijven leven dat ze een flinke spaarpot voor hem had. Hij heeft veel medische zorg gehad met tenslotte een niertransplantatie, maar het mocht niet helpen.”

Canada
Toen kreeg Nel de weerslag. Ze rekende af met Hoorn, met Nederland en vertrok in 1969 naar Canada, met de boot. Ze kende er een Ada Dijkman en ook haar nicht Greet Buis woonde er. “Ik heb er van alles aangepakt. Ik werkte in huishoudens en in tuinen, onder meer bij m’n nicht. In de winter heb ik op een hogere school beter Engels geleerd. Na een jaar ging ik terug. Reizen van oost naar west, drie dagen in de trein, de hele terugreis heeft me al m’n geld gekost.” Het liep tegen kerstmis 1970, een uitzendbureau hielp Nel in Haarlem aan werk bij de PTT die midden in de kerstdrukte zat. En daar ontmoette Nel Jaap Engelmoer. Na een tijdje PTT ging Nel naar het GAK en op haar vijfenvijftigste legde ze het bijltje er bij neer. De boel computeriseerde, er werd verbouwd, gereorganiseerd, het werd chaotisch en zoals ze dat altijd had gedaan  trok Nel haar eigen plan.

Jaap Engelmoer is een kleine tien jaar ouder dan Nel. Ze bewegen zich actief in het gemeenschapsleven van Haarlem-noord. Nel is bestuurslid van het KVG geweest, ze zingt in een 55plus-koor en breit met een clubje dames katoenen zwachtels voor een ziekenhuis in Tanzania dat ze ook financieel steunt. “Als het kan gaan we elk jaar twee keer naar  Spanje, we fietsen veel, gaan naar het strand en brengen het wijkkrantje rond.” 

{mospagebreak title=Er ging een wereld voor me open}
Er ging een wereld voor me open

Jaap Braakman was een vooraanstaand katholiek in Bovenkarspel. Het schilderen van zijn huis had hij graag gegund aan zijn buurman Piet Boon. Maar wat zouden de mensen zeggen als ze de protestant Boon het huis van Braakman zagen schilderen? Dus schilderde de katholiek Jozef Mathot de buitenkant van Braakmans woning en Boon de binnenkant. 
Zo ging dat een halve eeuw geleden. Bovenkarspel, een tuindersdorp, was rijk aan middenstanders. En over het algemeen gunden protestanten en katholieken hun klandizie vooral aan geloofsgenoten. Hoeveel middenstanders er waren? Tien bakkers, vier slagers, vier schilders, drie schoenmakers, vijf kappers, zeven kruideniers en vijf melkboeren. Bovenkarspel had een bloembollenveiling, een spoorwegstation, de Broekerhaven aan het IJsselmeer, een openbare school en een katholieke jongens- en een katholieke meisjesschool.  Bokken en geiten gescheiden.

Vrije tijd
Wat had het dorp te bieden aan vrijetijdsbesteding? Een voetbalclub, een  toneelvereniging en een rederijkerskamer, een katholieke en een protestantse gymvereniging, mandolineclub, tafeltennisvereniging, een harmonie, verkenners en gidsen. De katholieken hadden het Vereenigingsgebouw, de protestanten de zaal van café Schouten. Katholiek en niet-katholiek beten elkaar niet. Maar daar hield het wel mee op. Na veel gesoebat stond de geestelijk adviseur toe dat voetbalclub KGB twee niet-katholieke leden mocht hebben. Maar er stond wel een niet-katholieke dirigent voor de harmonie. In het houten badhuis aan het IJsselmeer werden meisjes en jongens gescheiden door een schutting die enkele meters in het water doorliep.

Handel
Mijn vader was besteller bij de PTT, m’n moeder deed de kruidenierswinkel, vooral een buurtwinkel. Middenstanders kwamen nog aan huis. De schoenmaker haalde kapotte schoenen op en bracht ze ‘als nieuw’ terug. De kolenboer sjouwde z’n cokes op de schouder, de melkboer droeg de melk in emmers naar de klant en schepte zoveel liter in de pan als de klant nodig had. Hygiënisch? Ach. Er was ook handel van buiten het dorp. Stoffenhandelaar Piet Beemsterboer uit Medemblik, stokkenpiet genoemd omdat hij een houten been had,.kwam met de koets. Concurrent Jaap Bimmerman uit Grootebroek, met de bijnaam Jaap Lap, met de transportfiets. Garen, band, knopen en elastiek kochten de vrouwen bij de kassiesventer die van deur tot deur ging met op de buik een plat kistje, het kassie, waarin hij z’n artikelen presenteerde. De voddenboer kocht afgedankte kleren en ook oud ijzer op. Keessie trok langs de huizen met z’n mondharmonika en hield de hand op. En dorpsgenoot Kok kwam langs met de scharensliep.

Het gezin
In september 1950 telde ons gezin zeven jongens en drie meisjes. Telefoon hadden we niet, ‘Hilversum’ kwam binnen door de radio-distributie. We lazen het Noordhollands Dagblad, soms op maandagochtend Sport en Sportwereld. En soms onderbrak een van ons ‘s ochtends vroeg het maken van huiswerk (dan was je fris en leerde je het gemakkelijkst) om bij de bezorger een Volkskrant te kopen.  Hoe woonden we?  Een kleine winkel met pakhuis, kleine woonkamer, met ‘s winters de kachel. De woonkeuken, een bijkeukentje met de wc, een poepemmer die m’n vader in de sloot achter het huis leegde. Twee bedsteden en een slaapkamer beneden. Het grootste deel van de kinderschaar sliep op zolder. In tweepersoonsbedden, met in de winter de warmte van de schoorsteenpijp van de kamerkachel.

Stoomtrein
Naar de mulo ging ik eerst met de trein, later ook wel de bus, maar vooral op de fiets. De trein was een oud stoomvehikel. Elke coupé was een afgesloten geheel. De conducteur ging in de rijdende trein over de treeplank van coupé naar coupé.We waren altijd te vroeg in Hoorn.Vaak voetbalden we dan eerst op de Noorder Veemarkt. En in de winter stapten we de stationsrestauratie binnen. Maar we hadden geen cent te verteren en werden er door de ober gauw uitgejaagd.  Op de mulo ging een wereld voor me open met al die meisjes in de klas. Ik was een jongensschool gewend. De schooldag begon met gebed. Na het eindexamen ging ik naar kantoor. M’n vader had gezorgd voor een baantje, per 1 september 1951, bij de plaatselijke zaadhandel.

Studeren
Ik begon er met 46 gulden schoon in de maand, jongste bediende voor allerlei klusjes. Zoals op de fiets geld voor de lonen halen bij de Incassobank in Enkhuizen. Daarna werkte ik op handelskantoren in Lutjebroek en Alkmaar. En intussen studeren. Handelsavondschool, handelscorrespondentie Engels, Frans en Duits. En in 1959 het staatsdiploma HBS-A, na een opleiding bij particulier instituut Gesto in Alkmaar elke zaterdagmiddag van één tot negen uur, na eerst tot twaalf uur gewerkt te hebben. De vijfdaagse werkweek bestond nog niet.

Journalist
Het correspondentschap in Bovenkarspel voor het Noordhollands Dagblad bracht me tot de journalistiek. Per 1 maart 1960 werd ik journalist. Het Noordhollands Dagblad behoorde tot de Noorderpers, die ook Ons Noorden (Groningen, Friesland en Drente) en het Overijssels Dagblad uitgaf. Op de sportredactie in Hoorn werkte ik ook voor die twee ochtendbladen. Europacup-wedstrijden in het buitenland volgde ik op de televisie. Ik schreef het verslag tijdens de wedstrijd. Zo leek het alsof Noorderpers ‘ver in Europa’ toch een eigen verslaggever had gehad. Het was een katholieke krant.  Bioscopen mochten in hun advertentie geen bloot laten zien. Desnoods werd over de vrouwenborst een strookje geplakt, zoals dat trouwens ook in De Volkskrant gebeurde. In de vastentijd werden geen aankondigingen geplaatst van uitvoeringen. Op goede vrijdag kreeg het personeel een blaadje met een gepast gebed. Om drie uur klonk een toetertje en ieder werd geacht het werk neer te leggen en te bidden.

Vrijwillig
Per 1 augustus 1966 ben ik naar het Brabants Dagblad in Den Bosch gegaan. Ik was op 23 juli 1963 getrouwd met Anny Grippeling, kappersdochter uit Nibbixwoud. Het werk lag uiteraard vooral in Brabant, maar het bracht me ook in vluchtelingenkampen in Thailand, Ethiopië en Malawi. We hebben geen kinderen. Op 1 april 1996 ben ik vervroegd uitgetreden. M’n vrouw heeft altijd vrijwilligerswerk gedaan. Zoals voor twee Vietnamese families waar wij gastgezin van zijn.           

{mospagebreak title=Theorie met zestien man in de huiskamer}
Theorie met zestien man in de huiskamer

De oversteek in de Provincialeweg naar Enkhuizen, onderbreking van het Keern. Het is zaterdagmiddag 12 juni 1999. Anton Nipshagen en Wim Klaassen en hun vrouwen Corrie en Anny zijn op de fiets op weg naar De  Weere. Een plotselinge herkenning. Van de andere kant komt, fietsend uit Wognum, Kees Kuip. Even gauw een groet en ieder gaat verder. Kees Kuip op de fiets naar Hoorn. Een wonder? Dat niet. Een bijzonderheid, dat zeker.
Want Kees Kuip was enkele tientallen jaren rij-instructeur geweest en als hij al in Hoorn kwam dan was dat met de auto. De fiets bleef op stal. Praktisch altijd een zesdaagse werkweek. Elke dag in de auto. Soms wel van half acht in de ochtend tot ‘s avonds negen uur. “In vroeger tijden deed ik dat voor zeven gulden per uur, toen ik er in januari 1999 mee stopte was de prijs 57,50 gulden en nu zal het intussen al wel weer duurder geworden zijn.” Rij-instructeur een saai beroep?. “Dat valt wel mee”, zegt Kees op de van hem bekende flegmatieke toon. Kees is niet echt veranderd sinds z’n mulo-tijd. Ouder geworden natuurlijk. Beetje grijs geworden, eveneens. Nu met een sikje, dat ook. Maar de rustige jongen van toen is de rustige man van nu.

Kern herkenbaar
Kees woont sinds z’n huwelijk met Joke Vlaar uit Obdam in de vroegere ouderlijke woning aan de Wognumse Dorpsstraat. Tegenover wat voorheen het gemeentehuis was, schuin links aan de overkant café Stam, schuin rechts aan de overkant de hervormde kerk, niet ver van de katholieke kerk, kortom in het centrum van het dorp. Het Wognum van vroeger is er niet echt meer. Natuurlijk, de kern is herkenbaar gebleven. Het vroegere bedrijf van de firma Kuip, busonderneming, garage, wagenmakerij, verkoop van fietsen en tweedehands auto’s, later ook van bromfietsen, en natuurlijk de reparatie van al die voertuigen, dat oorspronkelijke bedrijf staat er nog. Maar het is niet meer als zodanig in gebruik. De moeder van Kees, oud in jaren maar vasthoudend van geest, woont er nog naast en ze wil het spul nog niet van de hand doen. Kees windt zich er niet over op. “Er is grote belangstelling voor en het stijgt als zeer gunstig gelegen onroerend goed elk jaar nog in waarde.”

Geen advertenties
Rijschoolhouder in Wognum, kleine zelfstandige, bekend in de wijde omgeving. “Ik heb nooit hoeven te adverteren. De leerlingen kwamen altijd uit zichzelf. Natuurlijk adverteerde ik wel eens in een verenigingsblaadje, maar dat was alleen om zo’n club financieel wat steun te verlenen. Voor de zaak had ik dat niet echt nodig. Zelfs nu ik er al een paar maanden mee gestopt ben, komt er af en toe nog een die daar geen weet van heeft en rijles bij mij wil nemen.” Kees is eigenlijk meer rij-instructeur dan rijschoolhouder  geweest. Een rijschool in de letterlijke betekenis van het woord school had hij immers niet. “De theorielessen gaf ik gewoon in de huiskamer. Soms zaten we er wel met z’n zestienen.” Het tekent de sfeer van het Wognum dat eigenlijk al heel wat jaren achter ons ligt. En dat je dus niet meer zult tegenkomen bij de rijscholen die het werk van Kees hebben overgenomen. Wognum zal hem missen. “Misschien”, zegt Kees. “Het zal wel meevallen.”

Bus verbrand
Kuip is een bekende naam in de West-Friese land En vooral in het West-Friese vervoerswezen. Nico Kuip, de vader van Kees, had in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.samen met twee broers een garage- en autobusbedrijf. De broers hadden het werk goed verdeeld. De een deed de wagenmakerij, de ander de garage en de derde was verantwoordelijk voor de ene autobus. Met die bus onderhield Kuip een dienst met Hoorn en via Spierdijk met Alkmaar. En elke dinsdag naar Purmerend, naar de veemarkt. Toen de oorlog uitbrak was er net een nieuwe bus. Daar hadden de Duitsers niks mee te maken, vond Kuip, en daarom werd de bus verscholen in een boerderij. Maar de boerderij brandde af en van de bus bleef niets over dan een verbrand wrak. “Je begrijpt”, zegt Kees, “de oorlogsjaren waren slecht. M’n opa was jong gestorven en z’n drie zoons hadden volop de gelegenheid om een goed bedrijf op te bouwen. En dat benutten ze ook. Maar de oorlog gooide roet in het eten.”

Wederopbouw
In de jaren na de oorlog  bleek toch wederopbouw van het busbedrijf mogelijk. Eind jaren vijftig, de vader van Kees was intussen als enige firmant overgebleven, had de firma Kuip twee bussen die benut werden voor ritten naar school, schoolreisjes en uitstapjes. Als hij dat gewild had, had vader Kuip zich kunnen aansluiten bij De Magneet, een combinatie van Noord-Hollandse particuliere busondernemingen die tot grote bloei kwam door de organisatie van busvakanties en later ook andere vakanties. Kuip bleef liever de eigen boontjes doppen. Maar niet lang meer met de bussen. Z’n hart lag blijkbaar toch meer bij de handel in tweedehands auto’s, fietsen, bromfietsen en reparatie. In 1960 verkocht hij de twee bussen.

Zelfstandig
Dat was acht jaar nadat Kees voor het laatst Achter de Vest in Hoorn het achterpoortje van de mulo achter zich had dichtgeslagen. Z’n eerste jaren na de school bracht Kees door als monteur bij garage Mooij in Opmeer. En toen trad hij bij vader Nico in dienst. Maar echte kansen kreeg Kees niet. “Doordat m’n opa jong was gestorven, kregen z’n zoons de verantwoordelijkheid voor het bedrijf en dus de kans er wat van te maken. Mijn vader trouwde pas toen hij veertig was. En hij gaf mij niet echt de vrijheid van de zaak meer te maken dan hem voor ogen stond. Daarom ben ik uit het garagebedrijf gestapt en in 1962 een rijschool begonnen. Eerst nog als onderdeel van de firma Kuip en eind jaren tachtig zelfstandig. En nu dan rentenier ik. Voor m’n echte oude dag heb ik een pensioen dat ik opbouwde als werknemer. En een koopsompolis van toen ik zelfstandig was.”

De fiets
Kees en z’n vrouw beleven rustige jaren. Kinderen in de buurt, kleinkinderen ook. En dat levert veel aanloop op. “We zijn geen uitgaanstypes en ze zien ons dan ook niet in een schouwburg. Ik ben ook nooit een verenigingsmens geweest. We fietsen veel. Ik heb lang genoeg in een auto gezeten.” Dat fietsen bracht Kees dus op die zaterdag in juni 1999 naar Hoorn. Waar hij een vluchtige groet uitwisselde met z’n vroegere klasgenoten Anton Nipshagen en Wim Klaassen, die de fietstocht overdeden van een halve eeuw geleden toen ze van school waren gestuurd en hun heil zochten bij de moeder van Anton in De Weere.

{mospagebreak title=Muziek, z’n lust en z’n leven}
Muziek, z’n lust en z’n leven

De Weere, boerendorp in 1950 bestuurd door de gemeenten Hoogwoud, Abbekerk en  Sijbekarspel. Als Anton Nipshagen naar de lagere school of de kerk ging, vertrok hij in Hoogwoud, hij liep een stukje door Abbekerk en kwam in Sijbekarspel terecht. Want dáár, op het grondgebied van de gemeente Sijbekarspel, stonden school en kerk van De Weere. Een echte verklaring voor kerk en school aan de rand en net buiten het dorp heeft Anton niet. “Waarschijnlijk omdat ze ook bedoeld waren voor Sijbekarspel.”
In het centrum van het dorp bij café De Lange en het voetbalveld woonde de familie Nipshagen. De opa van Anton had er z’n smederij gehad en in de directe omgeving hadden een bakker, slager, metselaar en een manufacturier hun nering. Opa overleed  jong, de weduwe bleef achter met de zoons Jan (vader van ‘onze’ Anton) en Anton, 12 en 6 jaar. Jaap Smit, broer van de weduwe, zette de smederij voort en nam die over toen de twee jongens oud genoeg waren om een electriciteitsbedrijf in de Wieringermeer te beginnen en een radiocentrale in De Weere.

Vroeg
Aan die radiocentrale heeft Anton mooie herinneringen. “M’n vader gaf  ‘Hilversum’ door aan de abonnees, maar had ook het onderhoud van de draden en palen die z’n eigendom waren. Als er een mankement was, moest hij in de palen klimmen met ijzeren haken aan de schoenen. ‘s Avonds tussen zes en zeven draaide m’n vader z’n eigen platen voor de radio. Aan het eind van dat uurtje mocht ik als jochie de mensen ‘welterusten’ wensen.” Naar onze huidige opvattingen is een nachtwens tegen zeven uur erg vroeg, maar het platteland ging destijds met de kippen op stok. Dorpen als De Weere telden veel boeren en die moesten ‘s ochtends vroeg uit de veren. Bovendien werden anderen, vooral de schoolkinderen, geacht vroeg ter kerke te gaan. “Toen m’n moeder de kapelaan op bezoek kreeg die haar maande te zorgen dat haar kinderen vaker in de vroegmis zouden verschijnen, gaf ze hem van katoen met ‘als u hier ‘s ochtends meehelpt de kinderen te wassen, te kleden en eten te geven, dan zorg ik dat ze in de kerk komen’.”

Tabak snijden
In de Tweede Wereldoorlog namen de Duitsers de radiocentrale in beslag en stelden die onder het beheer van de PTT. En zo werd vader Nipshagen technisch ambtenaar bij PTT. Al mocht je als ambtenaar geen bijbaan hebben, Jan Nipshagen had toch extra verdiensten. Anton: “Shag was in de oorlog niet te krijgen, veel mensen in De Weere verbouwden zelf tabak. Dat moest gekerfd worden, gedroogd en gesneden. M’n vader had een snijmachine gemaakt en sneed daarmee de tabak van de hele buurt. Zelf hadden we ook tabak. Ik herinner me dat de tabaksbladeren op zolder aan een lijn hingen te drogen. De snijmachine liep op electriciteit. Toen er later in de oorlog geen stroom was, hield de mankracht van onderduikers de machine draaiende met het wiel van een bietensnijmachine.”   

Muziek
Anton is de oudste van twaalf kinderen. De jongste van het gezin werd geboren toen Anton in militaire dienst was. Leeftijdsverschil 21 jaar. Grote gezinnen waren geen uitzondering. De kinderen hadden elkaar als speelkameraadje bij het zoeken van avontuur in de gemoedelijkheid van het dorp. “Je stapte als kind zo bij iedereen naar binnen. We kwamen in de bakkerij, bij de slager haalden we varkensblazen waar we mee voetbalden. En ik zat vaak in café De Lange te rammelen op de piano. Ik heb ze thuis suf gezeurd om een piano.Toen m’n ouders zo’n oud ding gekocht hadden, ben ik, tot ik naar de mulo ging, op pianoles gegaan bij Jan Stam het hoofd van de school. Later heb ik lessen gehad in Alkmaar en Den Bosch. Ik heb staatsexamen docerend musicus piano gedaan en ben dus leraar piano.” Ten bewijze van z’n muzikaliteit staan in de muziekkamer van Anton een vleugel en een orgel. “Orgel spelen heb ik mezelf aangeleerd.”

Kegeldistrofie
Elke dag speelt Anton wel een riedel, vooral klassiek. Soms ook de muziek zoals destijds op het orgel van de kerk in De Weere, terwijl hij schuin naar de meisjes beneden keek. Wat is zijn leven na de mulo? De kweekschool in Beverwijk, militaire dienst, onderwijzer in Obdam, leraar aan de lts St. Jozef in de oude ambachtsschool aan het Keern, leraar aan de mulo in Middenmeer en in 1976 naar Vught, leraar aan de Reeburg-mavo en later adjunct-directeur. Vijftien à twintig jaar geleden kreeg Anton de oogziekte kegeldistrofie. “Dat is het geleidelijk verdwijnen van het centrale zien. Het is moeilijk te beschrijven wat je ziet en niet ziet.” We nemen z’n radio als voorbeeld. “Ik zie alleen iets zwarts en ik weet dat het de radio is. Als ik naast de radio kijk, zie ik pas de knoppen. Maar onscherp. Het is een ziekte die bij ouderen vaker voorkomt. Maar dat ik het al een kleine twintig jaar heb, is een uitzondering.”

Zendamateur
Het belemmerde Anton in z’n werk. Hij werd gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ging in de vut toen hij 59 jaar was. Nog ruim een maand en Anton is 65. Hij speelt muziek en luistert naar muziek, beleeft muziek onder meer als vaste bezoeker van het Concertgebouw in Amsterdam. De geschiedenis van de familie Nipshagen, van de schoonfamilie, Anton heeft haar uitgepluisd. Zoeken naar taal, naar woorden, de afkomst van woorden, Anton is er mee bezig. E-mailen, internetten, z’n handicap weerhoudt hem er niet van. Hij studeerde met succes voor zendamateur, evenals z’n zoon, en trad daarmee in de voetsporen van z’n vader, zij het op een andere golflengte, met een ander doel, met andere middelen. “Ik doe er de laatste tijd eigenlijk niks meer aan.”

En fietsen, waar ook in Nederland. Met z’n vrouw Corrie als extra paar ogen. Ook zaterdag 12 juni 1999 met Wim Klaassen en diens vrouw, van Hoorn naar De Weere, zoals toen Anton en Wim een halve eeuw geleden van school gestuurd waren. Fietsen in verbazing. Veel in West-Friesland is veranderd, veel is gebleven. Er gaan zelfs fietspaden naar De Weere, zegt de man die als jochie van tien een fiets kreeg met blokken op de trappers. “Met z’n vieren van ons gezin zo naar school. Eén op de stang, twee achterop.”
 
{mospagebreak title=De invloed van Pukkie van Iersel}
De invloed van Pukkie van Iersel

Eind juni 2000, een e-mail uit Australië, een lang levensverhaal van Johan Overbeek. En aan het eind: ‘Wim je kunt hier mee doen wat je wilt. Mogelijk zijn een paar correcties nodig’. Welnu, ik heb de vrijheid genomen het verhaal te herschrijven en het terug te brengen tot ongeveer de lengte van de interviews met de anderen. Waarom ging Johan in januari 1960, hij was net een paar dagen getrouwd, naar Australië ? “Ik wilde wat van de wereld zien, wilde emigreren en koos voor Australië, want Pukkie van Iersel had ons geleerd dat dat zo’n mooi en apart land was.”
Op Palmzondag 5 april 1936 is Johan geboren als vijfde kind in een gezin dat later uitgroeide tot elf  kinderen. Ze woonden in Hoorn aan de Drieboomlaan in een huis dat hij ‘niet al te groot’ noemt. “Het waren de crisisjaren en veel geld was er niet, maar m’n moeder wist alles toch zo’n beetje te regelen.” De oorlogsjaren noemt hij moeilijke jaren. “Als kind mocht je niets zeggen, alleen maar fluisteren. We hadden de donkere dagen dat alle ramen verduisterd moesten zijn. Op de eerste vrijdag van juli 1944, toen we allemaal braaf in de kerk zaten aan het Grote Noord, botsten twee Engelse vliegtuigen tegen elkaar en vlogen in brand. Net tevoren hadden de piloten hun bommen gedropt en een paar daarvan vielen vlak bij de Drieboomlaan.”

Scheikunde
De vier jaren mulo betekenden voor Johan een mooie tijd. “We hadden vakken als handelsrekenen, boekhouden, menskunde, natuurkunde, algebra en meetkunde, vakken die mij in mijn latere leven heel goed van pas kwamen. De beste leraar vond ik altijd meneer Dekker. Trouwens hij gaf ook de lessen waar ik het meest van hield. Op de avondstudie waar Willems meestal toezicht hield, werd m’n naam vaak genoemd en dan stak Willems weer een vinger op, omdat ik een één gescoord had voor een Frans proefwerk waar ik niet goed genoeg voor geleerd had. Het onderwijs bereidde ons echt voor op de toekomst. De overgang naar het Werenfriduslyceum was groot met nieuwe vakken als mechanica, stereometrie, scheikunde en goniometrie. Als ik de twee scholen vergelijk, was de mulo veel beter, veel praktischer. Op het lyceum werd je klaargestoomd voor de universiteit of hoge technische school.”
Johan voelde zich het sterkst tot scheikunde aangetrokken, ging naar de hts, deed in Australië, waar hij eerst bij een laboratorium en daarna bij de overheid was gaan werken, aan de universiteit “nog een paar vakken en na een proefschrift behaalde ik m’n masters’ graad.” En omdat de wetenschappelijke aanpak van het proefschrift waardering kreeg van een Engelse professor, kon Johan de Nederlandse titel van ingenieur (ir.) gebruiken. “Hetgeen hier natuurlijk niets zegt”, voegt hij daar aan toe.

Handtekening
Hij verhaalt graag van zijn jaren Aloysius. Met een slecht weekrapport ging hij naar z’n moeder, was het goed dan mocht vader tekenen. “Uiteindelijk was het niet zo moeilijk de handtekening van vader na te maken, want de hiërarchie van de mulo was  er alleen maar in geïnteresseerd dat er een naam op stond. We haalden wel eens kattekwaad uit, zoals op een dag dat we schotsen gingen trappen op de Vest en een paar bijna verdronken, of de middag dat we spijbelden om te kunnen zwemmen op het Flevobad. Blubber (bijnaam van directeur Holtkamp, wkl.) was niet mis in het opleggen van straf, maar dat was goed, het leerde ons toch dat we ons moesten gedragen.  Ook was het goed dat we meisjes en jongens op dezelfde school hadden. Ik had zelfs een schoolvriendinnetje, ik zal geen namen noemen, maar ze woonde in De Goorn. Wat hadden we toen toch weinig ervaring. Trouwens we konden geen ervaring krijgen, want alles was doodzonde. Hertzberg, die arme priester die geen moment orde kon houden, had ons dat toch bijgebracht, zelfs bij gedachte of begeerte.”

Gezond eten
In 1986 zette Johan, uiteraard op zijn vakgebied, een consultancy op, je zou kunnen zeggen een adviesbureau. “Maar toen in 1987 de beurscrisis kwam, ging mijn zaak ook bijna ten onder. Ik ben toen overgegaan op het beleggen in onroerend goed, waar ik nogal goed in was. Dat bevalt me nog steeds prima, hoewel mijn liefde voor de scheikunde niet verdwenen is. Maar nu is het de levende scheikunde, de biochemie, met speciale nadruk op de scheikunde van het menselijk lichaam. Ik geef nog vaak les aan groepen mensen in de manier waarop je gezonder en ook langer kunt leven. De mensen  moeten gezonder eten. Het gaat er meer om wat je eet dan wat je drinkt. Dat bepaalt of je een gezonde oude dag zult meemaken of dat je al vroeg in de versukkeling raakt. Tachtig tot negentig procent van de ziekten zijn te voorkomen.”

Oudere emigranten
“Ik besteed besteed veel tijd aan de oudere Nederlander. Toen in de late jaren veertig en de beginjaren vijftig de emigratie begon, vertrokken hele gezinnen uit Nederland om in Australië een toekomst op te bouwen, hetgeen in bijna ieder geval gelukt is. Deze mensen zijn nu in de zeventig of tachtig en velen van hen zijn gaan dementeren. Ze kunnen zich weinig herinneren en vallen vaak terug in de Nederlandse taal of zelfs in hun dialect. Meestal kunnen ze niet op hun kinderen rekenen, want die hebben hun eigen leven. Als deze mensen in een Australisch verzorgingshuis terecht komen, zijn ze verloren, omdat de communicatie nul is. De zuster spreekt geen Nederlands, de patiënt geen Engels. We hebben hier de koppen bij elkaar gestoken om daar iets aan te doen. We zijn nu zo’n jaar of zes bezig met het inzamelen van geld en ons eerste verzorgingstehuis is een paar jaar geleden geopend. Ook Wim Kok en zijn vrouw waren daarbij. Ik heb toen uitvoerig met Wim kunnen praten en wist een gift van 5000 gulden te versieren. Hij was erg onder de indruk van wat wij hier doen. Ik ben nog steeds penningmeester van de Associatie, waar zo’n vijftig Nederlandse clubs bij zijn aangesloten.”

“Het reizen zit in m’n bloed en ik reis dus veel. In het afgelopen jaar ben ik vijf keer gaan cruisen en dit jaar drie keer. Ik ben erg tevreden over hoe het mij vergaan is, alhoewel het scheiden in de jaren tachtig mij veel leed heeft aangedaan, maar dat is een boek op zichzelf dat ik misschien nog wel eens schrijf.”
En tenslotte: “Ik ben in Nederland bij mijn zus van 21 juli tot 21 augustus en er zit een goede kans in dat ik de reünie op 15 oktober bij kan wonen.”
 
{mospagebreak title=Boeken vol met foto’s van kerken}
Boeken vol met foto’s van kerken

Ooster-Blokker. Henk van Stralen kent het als geen ander. Hij werd er geboren, hij zal er worden begraven. Op het kerkhof achter het katholieke kerkje, waar Henk veel van de hoogtepunten van zijn leven beleefde. Henk zegt een trouw kerkganger te zijn. Maar hij heeft dat niet aan zijn kinderen over kunnen brengen. “Ik kon mijn oudste dochter er met de grootste moeite toe krijgen in de kerk te trouwen.” 
Henk spaart foto’s van kerken, hij heeft er boeken vol van. Maar zijn verzamelwoede gaat verder. Hij heeft drie televisietoestellen, hij barst van de boeken en in alle hoeken en gaten, tegen alle wanden en in alle kasten van zijn huis vind je langspeelplaten. Veel klassieke, veel met kerkmuziek. Z’n vrouw Wilma, een geboren Brabantse, wordt er wel eens kriegel van. Maar daar trekt hij zich niet veel van aan.

Lege kerk
Henk baalt ervan dat van zijn oude katholicisme weinig over is gebleven. “Vroeger bad je om het beter te krijgen. De mensen waren arm. Tegenwoordig hebben we het goed en we bedanken er niet eens voor.”  Veel zit hem dwars. Het slechte kerkbezoek bij voorbeeld. “In Blokker zijn nog veel gelovigen, maar in de kerk zie je ze niet. Afgelopen zondag waren er nog geen veertig mensen in de kerk. Driekwart van hen was vrouw en van boven de vijftig. Soms zitten er meer mensen op het koor dan in de kerk. Maar wel doen veel mensen mee aan kerkenveilingen en zijn ze niet zuinig met giften aan de kerk.”

Veiling
Henk van Stralen, een eenvoudige kerel. Op 19 oktober wordt hij 65. Zijn hele leven woont hij al aan de Zuiderdracht. Eerst in de ouderlijke woning, nu in een bungalow op eigen grond van de familie die hij kocht voor een gulden. “Je hebbe lang genoeg leerd, ga nou maar eens werken”, zei Henks oudste broer in 1951 toen Henk hem het diploma van de mulo had laten zien. En Henk ging aan de slag bij Majo, afkorting van de firmanten Jan Mak en Jan de Jong. Drie jaar later werd hij fruitsorteerder bij de veiling Op Hoop Van Zegen, later opgegaan in de veiling WFO in Zwaagdijk, nu The Greenery. Tot 1 juli 1981 werkte hij op de veiling. “Je kunt je nu nauwelijks voorstellen hoe dicht de tuinders vroeger bij de veiling stonden. Veel tuindertjes kwamen hun veilingstaten ophalen om te zien wat hun producten hadden opgebracht. Soms ook kwamen ze kijken als hun fruit geveild werd.” En tegenwoordig zien ze de veiling niet eens meer. Vrachtauto’s halen de produkten op en de computer geeft aan hoeveel ze opbrachten.

Schoonmaker
Hij verliet de veiling en werd schoonmaker. In deeltijd had Henk daar al wat ervaring mee bij de firma Gorter in Hem. Hij ging schoonmaken bij de politie, eerst in een halve baan, later in een hele. “Ik combineerde dat met  het schoonmaken van de  school.” Met bezem, stofzuiger, stoffer en blik, spons en zeem in z’n eentje door de gebouwen. “Ik ben erg individueel. Ik heb altijd hard gewerkt. Ook nog tien jaar in deeltijd bij Peter Karsten retourkratten op een band zetten en schoonmaken. Dat combineerde ik met het werk bij de politie en in de school. Toen ik 58 was ben ik bij de politie gestopt, en op m’n eenenzestigste hield ik het in de school voor gezien. Het was mooi geweest.” Maar hij bleef actief. Voor luttele guldens per uur onderhoudt hij de pastorietuin en het kerkhof. En z’n nu eens vrome, dan weer opstandige, vaak ironische gedachten kan hij kwijt in artikelen die hij schrijft voor het parochieblaadje.

Weduwe met negen kinderen
Amper twaalf was Henk toen z’n vader overleed. De familie had een fruitbedrijf van twee hectaren. “Dat was klein, maar voor die tijd toch nog wel redelijk. We hadden aalbessen, pruimen, kruisbessen. De zwarte bessen werden opgekocht door ‘natte’ Schermer die er bessenjenever van maakte. In de vakantie plukte je bessen en pruimen en je zocht afgewaaide appels. De Bangertse blauwe pruimen waren half augustus rijp. Dan moest je de pastoor dispensatie vragen om op 15 augustus, toen  een katholieke zondag vanwege Maria Hemelvaart, te mogen plukken. Maar je ging wel nog eerst naar de kerk. Op vakantie gingen we nooit. Er waren goeie en magere jaren. Als de oogst van bessen en pruimen mislukt was door de regen of de spreeuwen, was dat een ramp. Denk je eens in hoe zwaar m’n moeder het had. Toen ze 48 jaar was bleef ze als weduwe achter met negen kinderen. Vijf uit het eerste huwelijk van haar man, vier uit  haar eigen huwelijk.”

Weinig geld
 “Moeder had geen wasmachine. Ze waste op het boenbord in een tobbe. Ze kookte de was in de wasketel.die ze zondagavond opzette. Om er nog de ergste vlekken uit te krijgen, legde ze de was daarna op het bleekveld.  Natuurlijk waren er wasserijen, maar moeder deed alles zelf. Ook de witte boorden steef ze zelf. Als de scharen stomp waren nam de bode ze mee naar Hoorn. Ook Harkema uit Hoorn kwam wel langs met de scharensliep.” Hard werken, een groot gezin, weinig geld. “Maar we hebben nooit hoeven lenen, alles kon altijd betaald worden. In 1947 kochten we onze eerste radio bij Hylkema in Hoorn. Hij repareerde toestellen soms bij de mensen aan huis. Hij zoop koffie.”

Moeder
Herinneringen? “We waren aanhangers van West-Frisia in Enkhuizen. Als we zondagmiddag te voetballen gingen, moesten we eerst ‘s ochtends twee keer naar de kerk.” Henk was geen uitgaanstype. Aan dansen had hij een broertje dood. “Jongens gingen te dansen in hun enige knappe pak. Als ze na het dansen naar huis gingen en ze moesten door de regen, dan pakten ze hun pak in en gingen in de onderbroek naar huis.” Denkend aan vroeger komt Henk vaak bij z’n moeder terecht. “Ze kon erg goed naaien. Toen we jong waren, maakte zij onze kleren. Matrozenpakkies en zo. Soms bakte ze brood in een gasoventje. Heerlijk.”

Soms vraagt Henk zich af of hij  wel genoeg uit zichzelf gehaald heeft. Maar dan realiseert hij zich hoe hij hard werkend voor vrouw en drie kinderen, het er niet slecht heeft afgebracht. Vanuit het raam  ziet hij hoe Hoorn de Zuiderdracht begint te naderen. “Maar gelukkig blijft er een stuk bos tussen.”

{mospagebreak title=Een klas met 48 kinderen}
Een klas met 48 kinderen

Als twintigjarige onderwijzerers begon Ria Terra aan de katholieke meisjesschool in Bovenkarspel. Op de fiets van Wognum naar Hoorn en met de trein naar Bovenkarspel. “En daar was het feest”, zegt Ria. “Een heel stel meisjes stond al aan het station te wachten om mee te lopen naar school. Ik vergeet nooit dat een meisje, ze heette Joke Peerdeman denk ik, zo met me aan het praten was dat ze met het hoofd tegen een lantaarnpaal klapte. En als ik terugging gebeurde het wel dat een van de vaders me op het station een bloemkool meegaf.”

Ria zegt een goed gevoel te hebben overgehouden aan haar werk in Bovenkarspel. Toch was het er niet gemakkelijk. “Ik begon in de eerste klas met 48 meisjes. Als ze breiles hadden kreeg ik 48 stellen verroeste breipennen en katoen. En ‘s avonds kwam ik thuis met een tas vol breiseltjes. Naar de gymles ging ik met 48 kinderen over straat.”  Ria was maar kort in Bovenkarspel. In januari 1957 kon ze al naar de jongensschool in Spanbroek, lekker dicht bij huis. Ze kreeg er de eerste en tweede klas. “Er zat toen ook een godsdienstige opvoeding aan vast. Je moest ze voorbereiden op de eerste communie, leren bidden voor en na school en leren hoe ze moesten biechten. Het fijne van die tijd was dat je geen vergaderingen had. Het was echt gezellig.”

Heemstede
In 1963 trouwde Ria met Ton van den Brink uit Laren, waar ze ook gingen wonen. Ze kreeg werk aan een school in Hilversum, maar toen ze in verwachting raakte, was dat snel afgelopen. ”Je moest van school nog voordat ze zagen dat je zwanger was. Ik wilde blijven om meisjes voor te lichten, maar dat werd niet toegestaan. Ook al kreeg ik nog wel betaald. We kregen twee kinderen. De dochter woont in Oostenrijk, onze zoon in Hoofddorp. Zeven jaar ben ik uit het onderwijs geweest om de kinderen op te voeden. Zevenentwintig jaar geleden werd m’n man bedrijfsleider bij Vroom en Dreesmann in Haarlem. We verhuisden toen naar Heemstede, naar het huis waar we nog wonen.”

Bij de Ursulinen
Het is een warme zomerse middag als Ria haar verhaal vertelt. Met z’n tweeën zitten we keurig aan een tafeltje in de fraaie tuin. Ik zeg haar dat ik haar niet herkend zou hebben als we elkaar toevallig ergens zouden zijn tegengekomen. We zijn wel erg veranderd sinds we elkaar voor het laatst zagen in februari 1951. “Ik ben van school gegaan, omdat m’n tentamen niet goed was. Ik heb toen een klein jaar thuis meegewerkt in het huishouden, als vierde in een gezin met elf kinderen. Maar ik wilde toch juf worden en trouwen. Bij de Ursulinen in Bergen was de mogelijkheid van het volgen van een voorbereidend jaar voor de kweekschool. Daar ben ik in januari 1952 naar toe gegaan en in juli had ik het certificaat dat me toegang gaf tot de onderwijzersopleiding. We waren er intern. Ook meisjes uit Bergen zelf  woonden niet thuis. Het was er goed. De nonnen deden stinkend hun best. Ze waren dag en nacht met ons bezig. ‘s Ochtends om zeven uur ging de gong. Een zuster sprak ‘Geloofd zij Jezus Christus’. En wij antwoordden ‘in alle eeuwigheid. Amen’.”

Individueel onderwijs
Wonend in Heemstede had Ria het geluk onderwijzeres te kunnen worden aan De Waterlelie in het naburige Cruquius, school voor kinderen met epilepsie. Kinderen uit het hele land waren er ter observatie door artsen, psychologen, neurologen, teneinde voor ieder individueel afstemming van de juiste medcijnen te krijgen. “Het was individueel onderwijs aan groepjes van zeven. Ik had ze in de leeftijd van acht tot veertien jaar. Het belangrijkste vond ik het veelvuldige telefonische contact met de ouders. De kinderen gingen eens in de twee weken naar huis, opgehaald door de ouders.  Het was een boeiende tijd, vooral omdat je voor kinderen veel kon betekenen. Ik heb er 22 jaar gewerkt”. Nog altijd houdt Ria een band met De Waterlelie. “Er is een groot terrein met veel paviljoens. Daar wonen mensen die epilepsie hebben en meestal ook zwakzinnig zijn. Ze kunnen in ieder geval niet zelfstandig functioneren. Sommigen wonen er al vijftig jaar of langer. Een middag in de week ga ik er naar de koffieshop voor een praatje met mensen. Verder bezoek ik namens De Zonnebloem in Heemstede mensen die aan huis gekluisterd zijn.”

Vader
Aan haar tijd in West-Friesland bewaart Ria goede, dierbare  herinneringen. Naar de reünie van de mulo in oktober 1998 kwam ze niet, omdat haar hoofd daar niet naar stond. “Niet lang daarvoor was een kleinzoon overleden en ik was er zelf lichamelijk niet zo goed aan toe.” We praten over het verleden, over Wognum en dus over haar vader die er hoofd van de school was. “Hij stierf aan een hartstilstand op dezelfde dag als John F. Kennedy.  In Wognum zeiden ze ‘er zijn twee groten  naar de Hemel gegaan’. Hij zat in allerlei besturen en gaf ook les aan een avondschool in Spierdijk. Denk je dat eens in, ‘s avonds op de fiets naar Spierdijk voor een rijksdaalder per keer. Door weer en wind, alles voor z’n gezin.”

Het toelatingsexamen Nederlands

Vul één werkwoord in:
Alle schade wordt door verzekering …………………….
Zij hadden een grote afstand …………………………….
Door wie zou die misdaad …………….  zijn?
Zij zullen menigeen schrik ……………………. hebben.
Boontje ……………………. om zijn loontje.
De appel ……………… niet ver van de boom.
Blaffende honden ……………………… niet.
Ik zei, dat ik het in orde zou …………….
Het mooie cadeau werd van alle kanten …………………
De bekende zwemster heeft weer een record ……………


{mospagebreak title=De roep van de wereld was sterker}
De roep van de wereld was sterker

Toen voor Kees Tool op 4 september 1950 op de Aloysius-mulo het nieuwe schooljaar begon, werkte z’n broer Niek, die zomer net twaalf jaar geworden, bij tuinder Jaap Swart in Lutjebroek op het land. ‘s Morgens om vijf uur moest hij er present zijn. Dus vroeg uit de veren, pakje brood mee en op de fiets naar Lutjebroek. En dan met de schuit naar het land van Swart in de polder.  Tegenwoordig zou je dat kinderarbeid noemen, maar in die tijd was dat heel normaal. De meeste jongens die de lagere school in Bovenkarspel verlieten, begonnen zo hun arbeidzame leven. Ze moesten als twaalfjarige wel een dag in de week naar de tuinbouwschool van meester Verbeem in Grootebroek. En op de zaterdagmiddag kregen ze in de lagere school van Grootebroek een paar uur les in taal en rekenen.

Vakantie bestond niet
Niek Tool: “We werkten zeker gemiddeld 48 uur per week. In de drukke tijd veel langer, in de winter vele uren korter, en als er ijs lag mocht je thuis blijven. Had je een vast contract van een jaar, dan kreeg je in de vorstperiode je loon doorbetaald. Vakantie bestond niet. Volgens de cao had je recht op drie vrije dagen per jaar ‘als het werk het toelaat’.” Niek woont in Tilburg samen met Tiny Weel, de weduwe van z’n broer Kees. Ze hebben er een appartement, maar verblijven zeker de helft van het jaar in hun stacaravan op de camping van het bijna naburige Baarschot. De drie kinderen van Tiny, en dus van Kees, wonen in Amsterdam. Ze zijn alle drie in de jaren zestig geboren. De drie kinderen van Niek wonen in Tilburg of omgeving. Samen hebben ze negen kleinkinderen. Praten over Kees, is praten over een ‘goede man’ en ‘een goede broer’. Maar het gesprek loopt niet altijd even vlot. Zoals het leven van ieder, heeft ook het leven van Tiny en Kees niet alleen maar hoogtepunten gekend.

Roeping
Kees, geboren  in Bovenkarspel op 2 april 1933, ging na de lagere school naar het missiehuis van de Fathers van Mill Hill in Hoorn  Hij wilde naar de missie. Maar zijn roeping bleek toch niet een echte roeping te zijn. Althans, niet bestand tegen de roep van de wereld. Maar waar moest Kees dan naar toe? Waar moest hij, een begaafde leerling, z’n schoolopleiding voortzetten? Keus was er nauwelijks. Het werd de r.k. mulo St. Aloysius in Hoorn. Daar stapte Kees op 7 januari 1950 naar binnen. In klas 2A, bij leerlingen die voorbestemd waren om al het jaar erna, na drie jaar studie, eindexamen te doen. Maar zover kwam Kees toch niet. Hij moet er zeker de capaciteiten voor hebben gehad. Maar op 9 januari 1951, zo leert het absentieboek van het schooljaar 1950-1951, legde Kees het bijltje er bij neer. ‘Geen zin meer’, schreef H.G.Holtkamp, hoofd der school, in het absentieboek.  

Wonen
Kees trok naar Amsterdam, in de kost bij tante Thecla, een zus van zijn moeder, en ging later in pension bij de familie Van Soest. Werken bij Nationaal Kasregister, de Rijkspostspaarbank en tenslotte de Nederlandsche Bank. Hij leerde bij een vriend Tiny Weel kennen, nu 59 jaar, geboren in Castricum. Ze trouwden op 17 juli 1963 en kregen twee zoons en een dochter. Het was in die jaren, zoals trouwens ook nu, niet gemakkelijk in Amsterdam aan een fatsoenlijke en betaalbare woonruimte te komen. Wat dat betreft is er niet veel veranderd. Ze trokken bij een familie in en huurden  na de geboorte van de eerste zoon een flat, driehoog, in Amsterdam-noord. “Dat was”, zegt Tiny, “vooral voor de kinderen geen ideale woning. Toen later de mogelijkheid ontstond in Almere te gaan wonen, zijn we daar toch niet op ingegaan. Kees zag er erg tegenop om elke dag van Almere naar Amsterdam te moeten reizen.”

Longkanker
Een trouwe man, een goede vader, een goede broer, zo omschrijven broer Niek en Tiny hem. “Kees was zeer gezien op kantoor, om zijn vriendelijkheid, zijn manier van werken.” En verder? Verder valt over Kees niet zoveel te vertellen. Hij zocht het niet in uitersten. Oostenrijk was zijn favoriete vakantieland, maar hij was ook gek op de Veluwe. Tiny: “We zijn met de kinderen heel vaak in Garderen en Putten geweest.” Hoewel de harmonie groot leek, bleven Kees en Tiny toch niet bij elkaar. “Ik ben in augustus l992 bij hem weggegaan. Een paar maanden later werd hij ziek. Kees bleek longkanker te hebben. Hij werd geopereerd, maar er waren uitzaaiïngen  en die zijn hem noodlottig geworden. Je vraagt je natuurlijk af hoe iemand plots zo’n ernstige ziekte blijkt te kunnen hebben. Maar daar krijg je nooit het antwoord op. Wel herinneren we ons nog hoe Kees niet de kracht had de Abraham te snijden toen hij zijn  vijftigste verjaardag    vierde. Dat was eigenlijk toen al erg vreemd.”  Kees Tool overleed op 24 mei 1993.

Toelatingsexamen Nederlands

Welke woorden moeten ingevuld worden in de volgende zinnen?
Het boek, ………………………. je sprak, is uitverkocht.
De jongen, ………………………je gevochten hebt heeft een blauw oog.
De ziekte, ……………………….hij lijdt, is besmettelijk.
De reden, ………………………..hij niet gekomen is.

 

{mospagebreak title=Eten koken op petroleumstel in koestal}
Eten koken op petroleumstel in koestal

Een telefoongesprek met Vera Veul. Over vroeger. Over de school. “Wim, het was toch mooi dat we die kans kregen.” Die kans? Ja, de goede verstaander van een halve eeuw geleden heeft aan een half woord genoeg. Het was in de dorpen van West-Friesland  een bijzonderheid als kinderen na de lagere school mochten doorleren. De meesten gingen als twaalfjarige meteen naar een baas. Kinderarbeid? Ja natuurlijk. Maar niemand had daar bezwaar tegen. Het was bij voorbeeld ook heel normaal dat kinderen van tuinders en boeren in de oogst- en hooitijd landbouwverlof kregen. Dan kwam de lagere school op de tweede plaats.
Vera was bijna twee jaar toen haar vader overleed. Ze heeft hem dan ook niet gekend. Vera is van 1935, het was nog crisistijd. “We hadden een pachtboerderij. Moeder bleef achter met zeven kinderen. De oudste was veertien. Er waren vijf dochters. Drie mochten naar de mulo in Hoorn. De oudste twee moesten thuis blijven. Moeder had ze dik nodig in het bedrijf en het huishouden. Toen de eerste naar de mulo in Hoorn ging, kwam ook zo’n beetje de eerste fiets in het gezin.”

Vier bedsteeën
Maar hoe moest de weduwe Veul zich redden op de boerderij? “Opa Koopman, de vader van m’n moeder, had nog drie ongetrouwde zoons thuis. Er was toch niet voor ieder van de drie toekomst op de eigen boerderij, dus ging een van de drie naar z’n zuster, m’n moeder dus.” Hoe moet je je de woonomstandigheden voorstellen in die tijd? In een boerderij, vlak bij het kapelletje in Hem? Vera: “Het was echt ouderwets. Een bakkamer met aker, een voorhuis, de stal, vier bedsteeën. In de winter kookte moeder het eten op een petroleumstel in de koegang. In de zomer in de boet achter het huis.”

Pootjebaden
Hem, gemeente Venhuizen, een agrarische buurtschap, een beetje het eind van de wereld. Veehouders, fruitkwekers, tuinders. Maar ook een bedrijf dat zich toelegde op de zaadteelt en de zaadhandel. En dat daardoor vensters opende naar andere Europese landen. Voor wie er woonde, betekende Hem het begin van de wereld. Met een  eigen parochiekerkje, een kapel. En met een sfeer van rust. “We leefden zonder druk. Onbezorgd, harmonieus. Ondanks dat we soms armoe hadden. Vakantie vieren? Dat bestond niet. Je had er ook niet echt behoefte aan. Thuis en in de buurt waren speelmogelijkheden genoeg. We gingen in de zomer wel eens  pootjebaden in Oosterleek. Een beetje badderen, dat was alles. Ik herinner me nu trouwens nog wel dat we vlak na de oorlog een keer met een vrachtauto van Ap de Jong naar Den Haag zijn gaan logeren. En na de mulo ben ik een keer op de fiets langs jeugdherbergen gegaan.”

School
De kinderen van Hem waren aangewezen op de lagere school in Venhuizen. Een groot gebouw dicht bij de kerk. De meisjes en de jongens in een aparte vleugel. “We mochten de jongens niet zien”, zegt Vera nu met een glimlach. “Het was een zusterschool, geleid dus door nonnen. We gingen lopend naar school, een afstand die zeker twintig minuten vergde. Tussen de middag gingen we toch nog naar huis ook. Naar de mulo in Hoorn ging ik op de fiets. Door weer en wind. Je zat soms met kletsnatte kleren in de bank. Maar je ergerde je er niet aan. Het was de gewoonste zaak van de wereld. Leraren konden soms de stank van die natte kleren niet verdragen. Willems bij voorbeeld, onze klasseleraar in 2A,  gooide dan de ramen open.”       

Gezinsverzorgster
De mulo-periode was voorbij, Vera wilde verder studeren, maar dat zat er niet aan in het gezin. “Ga maar werken”, zei moeder. Ze solliciteerde bij een verzekeringskantoor in Hoorn en kon er vijftig gulden in de maand verdienen. Maar Albert Broersen, de man van haar oudste zus Riet, firmant van het boekhoudbureau Botman-Broersen in Bovenkarspel, bood een tientje meer. En dat gaf de doorslag. Ze werkte er een paar jaar en besloot toen gezinsverzorgster te worden. Na een opleiding in Den Haag van een half jaar ging ze gediplomeerd aan de slag in Oostelijk West-Friesland, ruwweg de oostelijke dorpen van de Streek en Enkhuizen. Maar ook dat duurde niet lang. Ze leerde Cor van Wegen uit Blokker kennen, een jaar of zes oudere man, met wie ze trouwde. “Vrouwen werden destijds geacht niets te hoeven verdienen als ze eenmaal getrouwd waren. Dat deed de kostwinner, de man.”
Uit de drukte van het werk in gezinnen, vond Vera de betrekkelijke luwte van het huwelijk. Eerst in Ooster-Blokker, daarna in de Kolenbergstraat in Wester-Blokker waar ze nu nog woont. Haar man Cor werkte bij de administratie van het ziekenfonds West-Friesland. Een jaar na hun huwelijk begon hij aan huis als zelfstandige een verzekeringskantoor. “Dat moest eigenlijk helemaal opgebouwd worden. En dat deden we samen. Ik deed de administratie en kon dat goed combineren met het werk voor de kinderen. En Cor ging de boer op.”

Twee werelden
Pratend over het verleden duikt altijd weer het katholieke geloof op. ”We hebben in twee werelden geleefd, als je de tijd van nu vergelijkt met die van onze jeugd. Ik ben erg katholiek opgegroeid.” Dat hield ook in dat je spaarcentjes stopte in missiebusjes voor de missionarissen die zieltjes gingen winnen, maar die zich ook bezig hielden met wat nu ontwikkelingswerk heet. Missiebusjes zijn er niet meer. Wie nu de Derde Wereld een goed hart toedraagt, kan dat op andere manieren tonen.  Bij voorbeeld door te kopen in Wereldwinkels. Vera staat een dag in de week in de Wereldwinkel in Hoorn en ze doet er ook de administratie van. Ze was 23 jaar actief voor de Zonnebloem. “Ik ben geen lid van een ouderenbond en in politiek voel ik me niet thuis. Ik ben niet diplomatiek. In de politiek moet je altijd maar draaien.”
De tijd van nu, een tijd van weelde, althans materieel. Vera: “Toen mijn moeder in 1948 vijftig jaar werd, kreeg ze van de familie een radio. Onze eerste. Zo’n verjaardag was een echte gastdag. De hele familie kwam. En daarom moesten we bij een oom borden lenen. Ik zei al dat moeder het eten kookte op petroleumstellen. Veel comfort kenden de meeste huishoudens toen ook niet. Maar een wasmachine had m’n moeder wel. Die had ze van een oom gekregen voor wie ze de was deed.”

{mospagebreak title=Geen loon maar een naaimachine}
Geen loon maar een naaimachine

De jongste van de klas was ze, Corry Vlaar. Geboren op 29 september 1936. Een vlugge leerling die, zo dacht iedereen, op haar sloffen als veertienjarige het mulo-diploma in de tas kon hebben. Dat dacht ze zelf ook. Maar het zat niet mee. Ze was wat te lichtzinnig, had bovendien, meent ze, in het mondeling examen een paar keer wat minder geestdriftige examinatoren. En zie, ze zakte. Vader had gewaarschuwd dat ze geen herkansing zou krijgen. En dus werd ze ingeschakeld in de groentenhandel van de familie.

Ze herinnert het zich als de dag van gisteren. Door allerlei oorzaken, ze kent ze allemaal nog, had ze op haar eindlijst voor Frans en geschiedenis een 4, voor aardrijkskunde een 5. Wiskunde had ze aan zich voorbij laten gaan. En dus geen diploma. Ook al was ze nog jong, vader vond dat ze het niet nog een keer mocht overdoen. En wat ze in haar mulo-jaren elke zaterdag al deed, werd nu het dagelijkse werk. Met de groentenkar van vader mee naar de klanten ten noorden van de spoorlijn. Waren de worteltjes op, dan ging Corry op de transportfiets nieuwe voorraad halen.

Bevoorrecht mens
“Ik vond het leuk langs de weg  Je zag veel en sprak met velen. En ik leerde de sociale kant van vader kennen. Bij grote gezinnen vroeg hij voor een bloemkool waar een vlekje aan was, maar een habbekrats.” Dat vader haar niet nog een jaar mulo wilde toestaan, kan Corry wel begrijpen. “Ik was in ons gezin een bevoorrecht mens. Ik heb twee oudere zusters en die mochten niet verder leren. Ik had mijn kans gekregen en niet benut.” Heeft ze er spijt van? “Nee, want wat ik geleerd heb, heeft niemand me af  kunnen nemen. En ik heb er in mijn verdere leven toch veel aan gehad. Diploma of niet. En toen ik bijna achttien was, had ik toch nog een diploma, dat van de Handelsavondschool.”

Poolse paardjes
Het hulpje van vader werd een kleine zelfstandige, toen een broer van Corry in dienst moest. “Ik nam zijn wijk over. Dus met de kar en twee Poolse paardjes er voor, Wodka en Riska. Je moet je voorstellen, hoe ik als 16- of 17-jarige de wijk in ging en zware kisten boven op de kar moest tillen. Later ging ik met de Geha-truck, een gemotoriseerde driewieler, waar je geen rijbewijs voor nodig had. Ik vond het prachtig met al die slagers en bakkers die ook aan het venten waren. Daar waren veel jonge knullen bij. Het was echt gezellig.” Zonder voorbehoud vertelt Corry hoe ze in die tijd met haar godsdienst omging. “Ik wilde elke dag naar de kerk en ter communie. Dat was ‘s ochtends om half zeven opstaan, om tien voor zeven vóór de mis de communie en tien minuten later stond ik weer buiten. Er is nog een periode geweest dat ik daarna op zwemles ging. Met dooie vingers kwam ik thuis, waar ik meteen aan het werk moest. We hadden maar een bescheiden zaak. De schuur deed dienst als winkel. Toen we eenmaal de eerste snijmachine hadden, werd het toch een echt klein winkeltje.”

Zuinig mens
Het was in die jaren niet abnormaal dat je werkte in het bedrijf van je ouders en daar niet bepaald royaal voor werd betaald. “Ik verdiende helemaal niets. Ik kreeg alleen zakgeld. Hoewel ik het zelfde werk deed als mijn broers, hield mijn vader me overal buiten. Met de jongens besprak hij de gang van zaken. Zij bleven van alles op de hoogte, ook van de boeken en zo. Toen ik trouwde kreeg ik van m’n ouders een naaimachine ter waarde van 500 gulden. Dat was het. Het voordeel daarvan is dat ik  een betrekkelijk zuinig mens ben geworden. Ik kan nog altijd niks weggooien. Mijn kinderen hebben als scholier altijd geld verdiend met vakken vullen en een krantenwijk. Ze moesten sparen en deden dat ook. Tot hun achttiende hebben ze elk een kasboek bij moeten houden. Van mij kregen ze zakgeld.” 
Ze was op de mulo een gangmaker. Haantje de voorste, mond op de goede plaats, altijd klaar voor een geintje en hilarisch mee lachen bij een wat gewaagde bak. “Ik lachte wel, maar begreep er niks van. Eigenlijk was ik van al wat wij toen schuin noemden in de verste verte niet op de hoogte. Ik zal je wat vertellen. Mijn jongste zus is in 1949 geboren. Ik logeerde toen bij een tante. Die zei dat ik een zusje gekregen had. Een nichtje vroeg me of ik wist hoe kinderen kunnen ontstaan. Ze vertelde me alles in geuren en kleuren. Ik wou het niet geloven. Dat doen mijn ouders niet, zei ik.”

Grote Kerk
De groentenzaak en de woning van Vlaar, het waren in die jaren kleine bedoeninkjes met weinig comfort. “We hadden geen telefoon, geen wasmachine, maar wel radio-distributie. En voor onze wekelijkse wasbeurt was er de tobbe. Van een douche kenden de meeste mensen destijds het bestaan niet eens.” En zie dan nu hoe Corry Vlaar woont met haar man Siem Kok. Een riante woning met een flinke tuin en alle gemak die je je maar kunt voorstellen. Maar het is ze niet aan komen waaien. “In 1960 nam een broer de zaak van vader over. Hij vroeg Siem, werkend op een accountantskantoor, de boeken bij te houden. Na een paar jaar werd Vlaar een zelfbediening.  En later kwamen er meer zaken. Onder supervisie van Siem, die z’n baan bleef houden, deed ik de administratie. Soms tot diep in de nacht. Toen er zo’n veertien Vlaar-supermarkten waren, werd Siem eigenaar van het kantoor waar hij werkte. In 1984 kwam Siem thuis. In de maatschap in onroerend goed die we samen met Wim van Vliet vormden, kochten we de Grote Kerk  waar 32 appartementen in werden ingericht. “

Corry en Siem doen de verhuur en de administratie van intussen zestig  appartementen. Van Vliet is verantwoordelijk voor de technische zaken. Het al op jonge leeftijd werkende meisje van toen zegt het nu zo goed te hebben dat zij en haar man zich materieel alles kunnen veroorloven. Maar de vrouw van nu die elke maandagavond spreekuur houdt voor (mogelijke) huurders, is toch nog een beetje het meisje van toen gebleven. “Ik ga regelmatig naar de kerk. En als ik in het vliegtuig of de trein stap, bid ik nog de oefeningen van geloof, hoop, liefde en berouw. Want je weet maar nooit…”
 
{mospagebreak title=De mensen dachten dat we rijk waren}
De mensen dachten dat we rijk waren

Ze lezen De Gelderlander en De Volkskrant, Toos Wiering en haar man Jaap Schuld (inderdaad, die van de vroegere speelgoedwinkel).  Als ze in Noord-Holland komen, pakken ze natuurlijk vaak even het Noordhollands Dagblad en daardoor weten ze, of althans menen ze, dat het regionale dagblad  De Gelderlander een betere krant is dan wat Toos en Jaap nog aarzelend ‘het sufferdje’ noemen.
Misschien zou in vroeger dagen zo’n uitdrukking voor Toos een overwinning op zichzelf zijn geweest, want ze heeft nog enkele jaren op de administratie gewerkt van drukkerij Noord-Holland, het zusterbedrijf van de Noorderpers, uitgever van het Noordhollands Dagblad. Was Toos een paar jaartjes later geweest en Wim Klaassen een paar jaar eerder, dan zouden ze elkaar als werknemer onder het dak van uitgever Stumpel hebben getroffen. In de jaren zestig zou Toos haar vroegere klasgenoot Nel Bloem hebben kunnen treffen. Toos en kandidaat-notaris Jaap Schuld togen in 1967 naar Raalte, waar Nel Bloem een poosje eerder werkzaam was geweest  als landbouwhuishoudlerares. ‘De wereld is klein’, zeggen ze wel eens. Maar in deze beide gevallen was ze net niet klein genoeg.

Niet rijk
Toos is de dochter van de vroegere burgemeester van Nibbixwoud en Zwaag. De familie woonde in Zwaag. Ze was de zesde van zeven kinderen, twee meisjes en vijf jongens.  Een burgemeestersfamilie in een dorp betekende in die dagen iets. Niet voor niets gold als algemene opvatting dat de burgemeester, de pastoor, de notaris, de dokter en misschien ook nog het hoofd van de school in een dorp de lakens uitdeelden. Of dat ook zo is, is in ons gesprek niet echt aan de orde geweest. “Hoe dan ook”, beaamt Toos, “de mensen in het dorp keken anders tegen je aan. Iedereen dacht maar dat wij erg rijk waren, maar dat klopte niet erg. In die dagen hadden burgemeesters een bescheiden salaris. We hadden geen ambtswoning, maar een eigen huis. En omdat dat van hout was, had het veel onderhoud nodig. Een gezin van zeven kinderen is al evenmin een kleinigheid. Daar bleef mijn vader mee achter toen m’n moeder in 1943 overleed. Ze was 49 jaar.”

NSB-burgemeester
In het laatste oorlogsjaar kreeg Zwaag een NSB-burgemeester die ook het huis van de familie Wiering in bezit nam. Vader Wiering dook onder, de kinderen gingen naar verschillende adressen zonder dat ze van elkaar wisten waar ze verbleven. Toos: “Van oktober 1944 af hebben m’n zus - zij was de oudste van het gezin - en ik een tijdje bij een familie in Hem gewoond. En begin 1945 ben ik naar een oom en tante in Wognum gegaan, waar ook m’n jongste broer bleek te zijn. Ik wist niet waar m’n vader was. Later bleek dat broers bij mensen in de Zuidermeer gewoond hadden.” De laatste oorlogsjaren, en zeker ook het overlijden van zijn vrouw, bleken grote invloed op vader Wiering te hebben gehad. “Hij heeft een paar maanden na de oorlog een poosje in grote depressiviteit in een ziekenhuis gelegen.” Toch was het gezin niet volledig ontheemd. Direct na het overlijden van z’n vrouw en tot hij in 1950 hertrouwde, had Wiering een huishoudster.       

Mariaschool
Toos was in 1951 niet de jongste eindexamenkandidaat. Maar ze was wel de jongste van het clubje dat na drie jaar met het diploma ging strijken. Of ze een goede leerling was, wil Toos niet beamen. Maar haar vader vond dat ze het laatste jaar van de lagere school toch maar beter kon doorbrengen op de Mariaschool aan de Eikstraat in Hoorn. Daar zou ze betere kansen hebben. Maar toen de non die hoofd van de Mariaschool was, vader Wiering belde met de aanbeveling Toos naar het Werenfriduslyceum te laten gaan, kreeg ze geen instemmend antwoord. Toos: “Daar had hij geen oren naar. Moeder was er niet meer en vader wilde dat we zo vroeg mogelijk op eigen benen zouden staan. En dat  bereik je met drie jaar mulo nu eenmaal eerder. Wat dat betreft kregen de jongsten in ons gezin minder kansen dan de ouderen. M’n zus ging bij voorbeeld naar een internaat in Grubbenvorst en Brussel. En broers naar het gymnasium in Alkmaar en de HBS in Hoorn.”

Geen dokter
Zwaag, een dorp als zovele in West-Friesland. Maar voor de dokter moest je naar Blokker of Wognum. Een katholieke en hervormde kerk. Voetbalclub Westfriezen, de jaarlijkse kermis. “Dansen vond ik erg. Maar je moest naar het eerste deuntje. Als kind maakte ik er wel misbruik van dat ik de dochter van de burgemeester was. Daarom mocht ik wel eens gratis in de zweef.  En ik mocht met m’n vriendinnen in een attractie, ofschoon we daar eigenlijk te jong voor waren. Maar de vrouw en de dochters van de burgemeester zaten in de eerste bank in de kerk. Vreselijk vond ik het, om eerst door de hele kerk te moeten lopen. En de burgemeester moest elke middenstander klandizie gunnen. Dus kregen kruidenier, bakker en slager om de beurt hun kans.”

Verhuizingen
Na de mulo werkte Toos korte tijd op de gemeentesecretarie in Zwaag. “Vader vond het belangrijk dat ik typen en steno leerde. Ik vond het erg.” Ze werkte in de administratie van drukkerij Noord-Holland, bij de Kamer van Koophandel, belastingconsulent Vijn, haalde het praktijkdiploma boekhouden en ging in 1955 op kamers in Hoorn toen vader Wiering na zijn pensionering in Alkmaar ging wonen. In 1959 trouwde Toos met Jaap Schuld, notarisklerk. Ze woonden in Uitgeest, Bergen, Raalte, Zaandam, Gennep en sinds 1986 in Milsbeek. De verhuizingen hadden te maken met Jaaps loopbaan van klerk, tot kandidaat-notaris en notaris. In 1992 ging Jaap ‘in ruste’ zoals dat heet. Toos was door de jaren heen nog dikwijls administratief actief. Zoals bij een schildersbedrijf in Zaandam en als boekhoudster op het kantoor van haar man.
Fietsen met Jaap, tennissen, zingen, wandelen, bridgen, Toos heeft hobby’s genoeg. “En samen naar een concert in Amsterdam. Onze jongste dochter woont in het centrum en als die vakantie heeft vertoeven wij wel een paar dagen in haar huis. Maar we zien er ook niet tegenop om op een avond heen en terug te gaan voor een concert in Amsterdam.”              

{mospagebreak title=Hoogovens was voor mij een paradijs}
Hoogovens was voor mij een paradijs

Toon de Wit had een stel kleine bazen gehad, was in militaire dienst geweest en ging per 1 juli 1959 bij de Hoogovens werken. “Het was voor mij een paradijs. Ik ging er meer verdienen, kreeg reis- en studiekosten vergoed, kon van alles voor een lage prijs kopen in de Hoogovenwinkel. Je werd er in de watten gelegd.”
Die watten werden gespreid voor ieder die maar de handen uit de mouwen wilde steken. “Wat je ook geleerd had, je kon in je eigen vak werken. Stoffeerders onderhielden en vernieuwden het meubilair, bakkers gingen in het bedrijfsrestaurant werken. Er waren postkantoren op het terrein. En zeker honderd postbodes. Of er werk voor hen was of niet, de mensen werden er aan de praat gehouden tot hun  vijfenzestigste. Er waren tenslotte natuurlijk veel te veel mensen die niets met het eigenlijke Hoogoven-bedrijf te maken hadden. En dat heeft Hoogovens later de kop gekost.”

Broodventers
Hij heette in onze dagen nog Antoon, nu Toon. “Ik zal je wel eens uitbesteden”, zei vader De Wit tegen z’n oudste zoon, pas geslaagd voor mulo-A. En vader vond een baan bij de Enkhuizer Koek- en Banketfabriek. Toon ging er 15 gulden per week verdienen. Maar er zat ƒ 12,87 in het loonzakje. Die 15 piek was bruto. Vader was woedend. Vijftien piek is vijftien piek, zei hij.Toon zat in Enkhuizen aan het loket om de bestellingen van de dertig broodventers te noteren en op maandag kwamen ze bij hem afrekenen. “Er waren wel weken dat we 1000 gulden in kas kregen. Ik kwam ooit 100 gulden te kort, nadat ik even van de kas was weggelopen. Het angstzweet brak me uit. Toen gaf de kassier me de vier briefjes van 25 die hij had weggenomen. ‘Je moet nooit van je geld weglopen’, zei hij.”

Eerst aardappels rooien
Een maand of acht later werkte Toon al bij de gebroeders Meiling in Venhuizen, groothandel in groenten en fruit. “Lekker dicht bij huis. Ik deed er van alles, was er jongste bediende en procuratiehouder. In de winter was mijn eerste werk de kachel aanmaken. Ik begon er om half negen. In de roderstijd vond m’n vader dat ik ‘s ochtends eerst nog wel met hem mee kon aardappels rooien. Langedijk kon wel een knechie gebruiken. Dus werkte ik van vijf tot acht uur op het land en om half negen stapte ik bij Meiling naar binnen. Ik  heb er ongeveer drie jaar gewerkt. Elk jaar kreeg ik vijf gulden per week opslag.”

Een flat
En toen bij Vroling in Broekerhaven, fabrikant van heteluchtkachels. Administratie, boekhouding, debiteurenbewaking, praktijkdiploma boekhouden en diploma moderne bedrijfsadministratie,  voor het eerst werken met een telmachine.  Op de fiets naar het werk. En op de wachtlijst voor een huis in Venhuizen. “Ik kon wachten tot ik een ons woog, want als er al eens een huis vrij kwam dan ging dat naar een onderwijzer, waar in die tijd een groot tekort aan was. In april 1959 besloot ik te solliciteren bij Hoogovens. Ik weet nog goed dat ik m’n brief begon met ‘Bij deze neem ik beleefd de vrijheid’. En ze namen me aan. Na zeven jaar verkering trouwden we op 25 april 1962. We kregen een flat in Velsen-noord. M’n vader vond dat maar niks. ‘Je hebt geeneens een achterdeur en een bleekveldje’, zei hij. Nog geen drie jaar later kochten we een huis  voor 23.000 gulden. Dat kon mede door een renteloze lening van 4000 gulden bij Hoogovens. Om die af te lossen werd elke maand 12,50 gulden van m’n loon ingehouden. Bij een loonexplosie haalden ze er een keer 30 gulden af. Maar volgens de voorwaarden van de lening had dat niet gemogen, dus bleef ik m’n hele leven 12,50 betalen.”        

Inkoop en betalen
Per 1 september 1993 zat Toons arbeidzame leven  er op. Hoogovens beleefde een reorganisatie en voor Toon betekende dit dat hij op de leeftijd van 57,5 jaar kon vertrekken. “Dat viel in het begin niet mee. Maar later heb ik me er bij neergelegd. De laatste tien jaar was ik bij Hoogovens de financiële spin van de inkoop van erts, steenkool en energie. Ik verzamelde alle gegevens die voor de kostprijs van belang waren. Kocht je in het buitenland, dan ging alles in dollars. Ik moest uitrekenen voor welke periode we welke hoeveelheid dollars nodig hadden. Dat was in verband met koersverschillen belangrijk werk. Ik ben ook een tijdje betrokken geweest bij de betaling van facturen. Dat ging om grote bedragen. Als je een stapel facturen een dag later betaalde, verdiende je aan rente in één keer het salaris voor de hele afdeling.”

Hartaanval
Het zonnige leven in Velsen-noord kreeg een ruwe onderbreking toen Toon op 38-jarige leeftijd een hartaanval kreeg. Te hard gewerkt, ook in het verenigingsleven, te weinig ontspanning, teveel gerookt. “Ik mocht een hele tijd niks meer doen. Zeker negen maanden ben ik thuis gebleven en toen ik weer voor halve dagen aan de slag mocht, begon ieder me omzichtig te ontzien. Daar werd ik nog beroerder van. Ik ga weer volledig beginnen, zei ik tegen de cardioloog. Hij vond het goed. En sindsdien gaat het prima. Ook dank zij de medicijnen die ik elke dag slik. We fietsen in de zomer door het duingebied, we hebben bergwandelingen gemaakt in Oostenrijk en zijn ook in Indonesië en Thailand op vakantie geweest.”

Ofschoon hij sinds midden 1998 in Heemskerk woont, is Toon nog penningmeester van het katholieke kerkbestuur  van Velsen-noord. “En ik ben er collectant. Je weet wel met de schaal en met een stok met zo’n zakkie er aan”. “Je bedoelt een klinkbuul”, is mijn antwoord. Hij lacht. De herkenning van vroeger. “Al meer dan dertig jaar heb ik een volkstuin, ik ben een verwoed visser, we klaverjassen al dertig jaar met dezelfde mensen, ik bridge veel en we gaan wel naar het theater in Velsen.”
 
{mospagebreak title=Jan Tromp en zijn kleinzoon}
Jan Tromp en zijn kleinzoon

Na het zien van jouw kleinzoon, was jouw strijd gestreden. Dat was de kern van de rouwcirculaire waarmee z’n vrouw en kinderen het overlijden per 25 september 2000 bekend maakten van Johannes, Antonius, Jozef Tromp. Jan Tromp, geboren 7 maart 1935 in de gemeente Wognum. Jan behoorde in september 1948 tot de nieuwe lichting leerlingen van de Aloysius-mulo in Hoorn. En twee jaar later was hij een van de achttien leerlingen van klas 3A. Toen ik hem in november 1999 belde voor een afspraak, moest hij het tot z’n spijt laten afweten. „Ik heb een hersentumor en zal het niet lang meer maken. Een gesprek met jou zou me te emotioneel zijn.“
Het deed me goed dat zijn gezin mij op de hoogte stelde van het overlijden van Jan. Z’n vrouw Gré vertelde me na de crematieplechtigheid in Nieuwegein dat Jan er op had aangedrongen mijn naam en adres toe te voegen aan de lijst van mensen die van z’n overlijden bericht zouden moeten krijgen.
Jan woonde in Culemborg waar hij tot hij de vut-gerechtigde leeftijd had bereikt, als boekhouder in dienst was bij het Centraal Boekhuis. Hij had er 35 jaar gewerkt. Eerst in Amsterdam, daarna in Culemborg. Jan en Gré hebben twee kinderen. Een zoon en een dochter, beiden geadopteerd. Het was voor mij een van de meest ontroerende momenten tijdens de crematieplechtigheid toen Jans zoon Peter, ook namens z’n zuster en jonge moeder Lianne, verklaarde dat ze nooit hun eigenlijke achternaam, dus hun biologische afkomst hadden willen weten. „Ook niet toen Pa ons daar de laatste maanden naar vroeg.“
Kleinzoon Daan werd drie weken te vroeg geboren. Jan overleed twee dagen later.     
Ik heb geen gesprek met Jan kunnen hebben. De tijd tussen zijn afscheid van het leven en het verschijnen van m’n boek was te kort om nog met de vrouw van Jan te praten over z’n vroegere leven en hoe en wie hij was. De toespraken in het  crematorium maakten duidelijk dat Jan de man was gebleven die wij als jongen al kenden: een rustige, plezierige kerel, die weloverwogen deed waar hij voor stond.
Onze andere mede-leerlingen van 3A Dini van der Lee, Alex Folge en Cilia Kwaad wilden niet met mij praten over het verleden en hun gang naar het heden.

Verleden laten rusten
Dini van der Lee was op Corry Vlaar na, de jongste van de klas. Geboren 10 juni 1936 in de gemeente Berkhout, daar ook getogen en waarschijnlijk haar hele leven in de buurt gebleven. Want nu woont ze in De Goorn als mevrouw D. Pronk.v/d Lee. Met  die ondertekening besluit ze haar brief aan mij van 24 januari 1999, oftewel 24-1-’99, zoals ze zelf de brief dateert.
Ze schrijft: ‘Hallo Wim, Afgelopen week heb ik je brief ontvangen en gelezen van je grootse plannen. Ik heb erg genoten van de 18e Oct., maar beschouw dit wel als afgedaan. Ik heb totaal geen behoefte om ‘t verleden op te rakelen, om wat voor redenen houd ik liever voor mezelf. Op ‘t ogenblik en dat doe ik al jaren zit ik in ‘t vrijwilligerswerk o.a. Zonnebloem, K.V.G., K.B.O. en help wanneer ik tijd heb in ‘t bejaardenhuis.
Wim, ik wens je veel succes, het zal je best lukken wanneer ik aan ‘t organiseren van de 18e Oct. denk.
Ontvang de h. gr. van mij, D. Pronk v/d Lee Past Lemeerstr 4, 1648 KA De Goorn.’
Dat was klaar en duidelijk, een kort briefje, veel afkortingen. Ze verwijst met vriendelijkheid naar de reünie van 18 oktober 1998, vertelt iets over haar huidige bezigheden in de dorpsgemeenschap en wil het daarbij laten. Dat is haar goed recht en daarom heb ik niet gereageerd.

Het doet me niks
Minder elegant, maar eveneens afwijzend was Alex Folge, tegenwoordig, zo zei hij me, Lex Folge geheten (geboren 2-11-1933 in Heerlerbaan). Hij had niet gereageerd op de brieven over de plannen met de reünie van oktober 1998 en wilde ook nu niet ‘onze kant op’. Ons eerste telefoongesprek verliep ongeveer zo:  “Ik heb eigenlijk niet zoveel herinneringen aan mijn periode op die school. Dus doe ik liever niet mee.” Mijn antwoord: “Maar als ik bij jou voor de deur sta, stuur je me toch niet weg?.”  “Nee, dat niet.” Ik ben niet voor zijn deur gaan staan, ofschoon ik in december 1999 na mijn bezoek aan Nel Bloem in Haarlem nog wel even het plan had om door te reizen naar Zaandam en me onaangekondigd te melden op zijn adres Twiskeweg 180. Op 7 juni 2000 belde ik hem weer. Hij bevestigde andermaal niet geïnteresseerd te zijn. “Ik kijk niet graag terug. Het doet me niks.”

Ik wil er niets mee te maken hebben
En dan Cilia Kwaad, Orionstraat 33 in Hoorn (geboren 28-3-1936). Ze komt in het telefoonboek niet voor. Corry Vlaar gaf me haar telefoonnummer. Op 7 juni 2000 belde ik Cilia, voordat ik me aan Lex  Folge waagde. Corry Vlaar had me er al op voorbereid dat Cilia weinig meer van onze vroegere school wilde weten, hetgeen me trouwens ook al was gebleken bij de voorbereidingen voor de reünie van 1998. Ik had haar toen weliswaar niet gesproken, maar van iemand die op twee brieven taal noch teken geeft, kun je niet verwachten dat ze met enige geestdrift terug denkt aan de bijna drie jaar die ze samen met ons doorbracht Onder de Boompjes en Achter de Vest. Inderdaad, bijna drie jaar. Want ook zij begon op 1 september 1948, maar op 9 februari 1951 stopte ze er mee. ‘Geen zin meer’ schreef schoolhoofd Holtkamp in het absentieboek van het schooljaar 1950-1951.
Bijna vijftig jaar later bleek die zin niet te zijn teruggekeerd. “Ik wil niets meer met die mulo te maken hebben. Ik wens je veel succes, maar ik heb geen zin mee te werken. Laat maar.” Het vriendelijke meisje uit mijn herinnering met haar mooi krullende rode haar zegt een vreselijke tijd op de mulo gehad te hebben. “Het was afschuwelijk, heel vervelend, ik ging iedere ochtend met pijn in de buik naar school. Al m’n vriendinnen zaten op een andere school. Ik heb er destijds een dikke streep onder gezet en die staat er nu nog. Na de mulo heb ik een heerlijke tijd gehad, daar kan ik wel een boek over schrijven.” Ik legde haar nog even uit waar ik mee bezig was: “Ik wil gewoon iets van het verleden vastleggen en beschrijven wat nadien van ons geworden is. Misschien dat generaties na ons er iets aan hebben. Voor mijn kinderen hoef ik het niet te doen want die heb ik niet.”  “Oh, nee?” “Nee.” “Ik hou trouwens niet van omkijken, ook de geschiedenis van mijn familie bij voorbeeld interesseert me niet. Een familielid heeft bij stamboomonderzoek ontdekt dat we niet Kwaad heten, maar een dubbele naam hebben met Quaden of zo iets. Maar ook dat interesseert me niets.”

En toen?
En waar is de Aloysius Mulo gebleven? De school ging in 1971 over naar een nieuw gebouw aan de Berkhouterweg. Al gauw was ook daar de ruimte te klein en dat leidde in 1975 tot de oprichting, als afsplitsing van Aloysius, van de r.k. Mavo Nieuw-Hoorn, gevestigd in noodlokalen in de wijk Risdam. Korte tijd later werden daar een paar noodlokalen van het Werenfridus Lyceum bij geplaatst.  Per 1 augustus 1983 gingen de mavo Nieuw-Hoorn en de noodlokalen van Werenfridus samen op in de nieuwe scholengemeenschap Oscar Romero. En Aloysius en Werenfridus gingen op 1 augustus samen verder als scholengemeenschap Werenfridus. Het schoolgebouw Onder de Boompjes was van 1971 tot 1999 eerst school voor moeilijk lerende kinderen, later voor volwassenenonderwijs van het Horizon College. Met ingang van het schooljaar 2000-2001 is er een deel gevestigd van de Praktijkschool West-Friesland. Dat is een school voor speciaal voortgezet onderwijs voor moeilijk lerende kinderen. Ze worden er vooral praktisch geschoold en via een stageplaats begeleid naar vast werk in bij voorbeeld winkel, magazijn, verzorgingsinrichting, plantsoenendienst of sociale werkplaats.

En nu?
reunie 1988 aloysius mulo
Op 18 oktober 1998 kwamen bijna alle oud-leerlingen van `Aloysius` die in de periode van 1944 tot en met 1957 het Mulo-diploma behaalden, voor een reünie bij elkaar. Dit is de foto van geslaagden van 1951, met erbij gesmokkeld (bovenste rij tweede van links) Kees Veken uit Wognum die in 1948 begon, maar al in het volgende schooljaar naar het Werenfriduslyceum ging. Kees trof velen met wie hij destijds begon. 
Bovenste rij v.l.n.r.: Nico Lieshout, Kees Veken, Simon Beerse (3A), Theo van der Gulik. Daar onder: Vera Veul (3A), Nel Bloem (3A), Truus de Wit, Corry Vlaar (3A), Toos Wiering (3A), Vera de Lange,  Harry Klaver, Vera Stam, Pé Plat. Voorste rij: Anton Nipshagen (3A), Wim Klaassen (3A), Toon de Wit (3A), Kees Groot, Henk van Stralen (3A), Corrie Stroet,  Theo Mes. (Foto Ron Burgering)

{mospagebreak title=Voleinding}
VOLEINDING

‘Drie A-jaren Mulo St. Aloysius te Hoorn, 1948 – 1951’, zo luidt de bovenkop op de voorpagina. Maar 1951 was uiteraard niet voor àlle leerlingen die in 1948 begonnen het laatste jaar. Pas aan het eind van het schooljaar 1953-1954 verdween de laatste, Loes Bruinenberg uit Hem. In 1951-1952 was zij nog in het gezelschap van Adje Biezen, Kees Boots, Jan Groot, Herman Haverbusch, Piet Homan, Tini Jaspers, Wim Kaag, Jan Kenter, Kees Kuip, Dini van der Lee, Johan Overbeek, Anton van Rooijen, Cor Schoof, Annie Sijm, Jan Tromp, Paul Tros, Simon Vijn, Appie van Wees en Nico Zuurbier. Het schooljaar daarna waren van  het 73 koppen tellende gezelschap uit 1948 nog over: Loes Bruinenberg, Jan Groot, Herman Haverbusch, Piet Homan, Wim Kaag, Anton van Rooijen, Cor Schoof, Paul Tros, Appie van Wees en Nico Zuurbier. En in de zomer van 1954 werden de mulo-leerlingen uit 1948 dus voorgoed geschiedenis.

Oud-klasgenoten en de geslaagden van 1952
Oud-klasgenoten en de geslaagden van 1952, onder wie vier die in september 1950 behoorden tot klas 3A.
Bovenste rij v.l.n.r. Johan Overbeek (3A), Kees Kuip (3A), Huub Willems,Piet Beemster, Jaap Schaap.
Daar onder: Henk Knol, Simon Vijn, Jan Tromp (3A), Jan van Dulmen, Henk de Haan, John Lamers, Harry Schuld,  Leo Weel, Wim Holtkamp.
Zittend: Nico Zuurbier, Trudi Preitschopf, Dini van der Lee (3A), Ria Kuip,  Adje Biezen, Clary Luttikhuizen. (foto Ron Burgering)

Tip: lees op mijn website ook 'Reünie Aloysius-mulo Hoorn


{mospagebreak title=Colofon}
Colofon

BRONNEN
(Nieuw) Noordhollands Dagblad, editie West-Friesland, jaargangen 1948, 1949, 1950
Statistisch Jaarboek 2000 Centraal Bureau voor de Statistiek
Vijfennegentig jaren statistiek in tijdreeksen 1899-1994, Centraal Bureau voor de Statistiek
‘1950, uw geboortejaar’, uitg. Bookman International bv. Laren
West-Frieslands Oud en Nieuw 1986, 53e bundel van het Historisch Genootschap ‘Oud West-Friesland’
Absentielijsten  1950 tot en met 1954  r.k. Mulo St. Aloysius te Hoorn
Archief  Westfriese Gemeenten te Hoorn
Hart van Hoorn, Joh., Ridderikhoff, uitg. Korpershoek Boekwijzer bv.
Ach lieve tijd, zeven eeuwen Hoorn en zijn bewoners, Uitg. Waanders-Westfries Museum
Archief Nederlandse Spoorwegen

Met dank aan
Anton Nipshagen voor opgaven toelatingsexamen 1948 r.k. mulo  en weekrapport
Theo Mes voor reproductie foto’s archief  Westfriese Gemeenten
Binh Chu, zonder wiens computer-deskundigheid dit boekje nooit gelukt was

 


 

Uitgever: Wim Klaassen, Wagnerstraat 12, 5151 KV Drunen
Druk: Drukkerij Collectief Waalwijk
ISBN 90 – 9014205 – 3
NUGI 480

Een Ander Land (pdf)Vietnamese bootvluchtelingen ingeburgerd in Nederland

Op Sinterklaasavond 1979 zette de Vietnamese bootvluchteling (Tran Van) Nam voor het eerst van zijn leven voet op Nederlandse bodem. Zo begint een hoofdstuk van mijn boek "Een ander land" met als ondertitel "Vietnamese bootvluchtelingen ingeburgerd in Nederland".
In een ander hoofdstuk vertel ik over de redding door schepen van rederij Nedlloyd van enkele duizenden Vietnamese bootvluchtelingen, die bijna allen korte tijd later hetzelfde overkwam als Nam. Bijna allen, want sommigen die na hun redding in een opvangkamp in Hongkong, Singapore of elders in Azië terecht kwamen, reisden door naar familie in de Verenigde Staten.
Maar hoe verging het de Vietnamese bootvluchtelingen in Nederland? Ook dat is te lezen in "Een ander land", het eerste in Nederland verschenen boek over Vietnamese bootvluchtelingen.
Ik heb het boek voor eigen rekening uitgegeven. Het boek is uitverkocht, maar u kunt het lezen door hiernaast op de kleine voorpagina te klikken.

In het artikel 'De zeventigers van de zevende klas van 1948' beschrijf ik op mijn website in het kort hoe het elk van de leerlingen van 1948 tot 2006 is vergaan. Lange persoonlijke verhalen pasten niet in dat artikel, maar wat Ab Hoogland schreef is zo opvallend en tekenend voor de jaren na 1948 dat ik zijn complete verhaal alsnog op de website zet. Hier en daar heb ik het qua taal en stijl wat aangepast.

Ab Hoogland
het volledige verhaal van een leven na 1948

Mijn levensloop na de school is begonnen op het land. De laatste maanden in de klas zat ik al in het manchesterpak (werkpak). Ik had er dan ook echt zin in om geld te verdienen en bij de grote mensen te horen. Ik kwam er al gauw achter dat het leven op het land ook niet alles was. Je maakte lange dagen, je had altijd met het weer te maken, kou, regen en soms was je alleen in die grote polder. Mijn eerste baas was Piet Dudink - zoon van boer Hein - die een stuk land had tegen Andijk aan. Daar ging ik meestal op de fiets naar toe, aan wal lag dan een schuit waarmee ik naar het land kon varen.
Het fietspad naar Andijk was slecht, een paar planken diende als bruggetje over de sloten. Als het had geregend waren die natte planken gevaarlijk voor een fietser. Zonder gereedschap ging het nog wel, maar over het algemeen was ik zo zwaar beladen dat ik de baas zei dat ik niet met een vrachtauto was. En dan vond hij het goed dat ik minder gereedschap mee nam. Ik was dan ook nog maar een broekie die pas dertien jaar was geworden.
Op een dag moest ik weer eens op de fiets naar het land. Ik wist dat er geen schuit van de baas lag, want die had hij al eerder weggehaald. "O, pak maar een schuit die daar nog ligt."  Maar dat heb ik geweten.
Ik stapte in de schuit waarvan ik natuurlijk wist dat die van een andere tuinder was.  Amper was ik aan het werk of ik hoorde geschreeuw vanaf de Andijker weg. Twee grote kerels van de familie Neefjes uit Grootebroek stonden er zo te schelden, dat ik wel zeven kleuren scheet. Gebukt onder de scheldpartij bracht ik de schuit terug en de twee heren naar hun land. Ik mocht niet alsnog met de schuit naar 'ons land' , waardoor ik de hele dag bij hen moest blijven. En dat was geen pretje. Ik neem aan dat mijn baas er van geleerd heeft.

Vier bazen in zeven jaar

Ik heb zeven jaar op het land gewerkt, bij in totaal vier bazen. Een van hen was Loutje Borst, die achter zijn schuur nog een stkje land had waar hij wortels teelde. De tijd van oogsten was aangebroken en Lou vroeg mij of ik een kistje wortels wilde hebben en daar zei ik geen nee op. Zaterdag bleek hij van mijn loon de prijs van de wortels te hebben afgetrokken. De liefde voor die baas was toen gauw over. Na een jaar had ik het bij Loutje bekeken.
Mijn meest bijzondere baas was Jan  Kamper. Ik kwam bij Jan toen zijn vader Jaap net was overleden. Jan nam het bedrijf over en ik werd zijn knecht. Jan was vrijgezel en genoot van het leven. Daar heb ik van mee geprofiteerd. Veel stappen met de nodige hoeveelheid alcohol. 's Morgens was Jan daardoor meestal niet erg fit. Het kwam dan ook wel voor dat ik Jan in de vroege morgen aantrof op zolder, met de benen uit het luik. Het eerste  wat hij dan zei was "ik voel me niet zo lekker, we moesten maar rustig gaan fietsen. " Zo kwamen we een keer al om tien uur aan in Hoorn. Jan wist dat er in Hoogkarspel kermis was en daar belandden we 's middags in een café. In die tijd werd er met kermis altijd gebiljart om gelag (borrels). Ik was in die tijd een tamelijk goede biljarter, dus mocht ik mee bieden tegen een andere biljarter. Jan zou het gelag betalen, als ik verloor. Soms werd wel om tien borrels gespeeld. De winnaar kreeg vijf borrels, de verliezer ook, maar hij moest ze alle tien betalen. Als we naar huis gingen voelden we zware benen, het fietsen ging moeilijker maar we kwamen toch zonder kleerscheuren in Bovenkarspel.
In de wintermaanden ging Jan elke ochtend naar de kerk. Hij vroeg mij intussen een bijtje te hakken in het ijs. Maar waar dat voor nodig was, weet ik niet meer. Daarna mocht ik naar huis voor een vrije dag. Het was voor mij een prachtige tijd die echter maar twee jaar duurde. Jan ging failliet en moest zelf een baas zoeken. Eigenlijk was dat jammer, want hij had een mooi klein bedrijfje.

Het Westland

Goede herinneringen heb ik ook aan het voetballen bij KGB. Ik begon er als keeper bij de pupillen en klom op naar het eerste elftal. Het was een mooie en spannende tijd. Mijn broer Coen was mijn grootste concurrent. Hij werd de keeper van het tweede elftal.
Op mijn twintigste vertrok ik naar het Westland om in de kassen te werken. Ik heb het twee jaar volgehouden. Het was er voor mij veel te warm. Daar kwam bij dat ik ruzie kreeg met m'n baas wat helemaal uit de hand liep. Zo zelfs dat we geen woord meer tegen elkaar spraken. In het kosthuis vertelde ik daar over aan de medekostgangers.  Mijn opmerking dat het wel gepast zou zijn  om het woord 'stilte' op de deur van de kas te zetten, was niet aan dovemansoren gezegd.  Ze gingen 's avonds met een pot verf op stap en toen ik 's morgens naar de schuur ging zag ik al van ver met grote letters het woord 'stilte' op de deur staan. Het was de druppel die de emmer deed overlopen. Ik kon vertrekken en werd werkloos.
Aangezien ik veel in het café kwam en altijd snel door m'n geld heen was, moest ik op zoek naar een andere werkgever.  In het café kwam ik op een avond in gespfrek met een oudere man die op zoek bleek te zijn naar iemand  die hem kon helpen in zijn tuindersbedrijf en z'n kolenhandel. Na enkele weken in de tomaten te hebben gewerkt werd ik overgeplaatst naar de kolenhandel. De tomaten zag ik bijna niet meer.
We moesten in die tijd kolen brengen naar klanten in Wassenaar die gebruik maakten van de lagere zomerprijzen. Het was niet bepaald een pretje als je bij een temeratuur van 25 graden vijf hoog zakken steenkool moest sjouwen. Met al dat kolengruis in mijn gezicht verrbrandde ik bijna levend. De douche bracht nauwelijks redding. Ik had er wel dagen onder kunnen blijven staan, zonder dat ik er echt van opknapte.
Het ergste was dat ik thuis niet had verteld dat ik ruzie had gehad met m'n erste baas en dat ik nu in de kolen werkte. Eens in de veertien dagen ging ik naar huis, moeder zag mijn zwarte ogen en wilde weten  hoe ik daar aan gekomen was. Ik vertelde de smoes dat ik stikstof had gestrooid tegen het onkruid.  Moeder nam het aarzelend aan. Ik heb dat verhaaltje maar een paar maanden vol kunnen houden. Bij de kolenbaas heb ik maar een jaar gewerkt.
En toen kwam voor mij het werk in de kassenbouw. Ik heb in die branche drie bazen gehad,naar mijn volle tevredenheid. Het werk beviel me goed, ik was altijd op karwei. We gingen met vier man kassen overeind zetten, dat klikte altijd goed. In die tijd heb ik ook nog electrisch lassen geleerd. Na verloop van tijd kreeg ik de leiding over het ploegje.  Dat ging voortreffelijk. Het hebben van leiding betekende niet dat ik geen handje hielp als dat nodig was. Ik heb er veel van geleerd, waar ik thuis nog altijd profijt van heb, bijvoorbeeld door thuis allerlei noodzakeljke klusjes te doen, waardoor ik nog geld bespaarde ook. Voor de kassenbouw gingen we soms ook naar Duitsland en Frankrijk. Voor het eerst de grens over. Ik wist niet wat me overkwam. Het geld dat ik verdiende mocht ik  voor mezelf houden. Ik leefde dan ook als god in Frankrijk.

De kosthuizen die ik gehad heb waren niet geweldig. Het eerste kosthuis was in Monster bij een oud stelletje.  De man werkte in de keuken van een m ilkitair tehuis. Als ik na m'n werk ging eten kwam hij altijd bij me zitten en vertelde iedere dag hetzelfde verhaal. Ik baalde tenslotte  dan ook als een stekker. Het nadeel was dat ik er de enige kostganger was, waardoor ik voor de rest weinig aanspraak had. Omdat het moeilijk was een ander kosthuis te vinden ben ik er toch anderhalf jaar gebleven. Ik heb in totaal vier kosthuizen gehad. Als mik zou vertellen wat ik daar allemaal heb beleefd wordt het een gebed zonder eind.

Verkering

In die tijd leerde ik Els kennen, nog altijd mijn vrouw. Het was een moeilijke tijd, want in het Westland was het normaal dat een tuindersdochter, wat Els is, trouwde met de zoon van een tuinder. Maar helaas kwam ik uit een arbeidersgezin. Bovendien was ik zeker niet een van de braafsten. Veel van mijn vrije tijd bracht ik door  in het café, waar ik graag een potje biljartte en soms teveel dronk.  In de kosthuizen was het immers ook niet alles. De verkering was snel uit. Omdat we gek op elkaar waren bleven we elkaar geregeld ontmoeten. En tenslotte won de aanhouder. Na een paar jaar kregen  we toestemming om te trouwen. Haar ouders zagen wel in dat ze het toch niet tegen konden houden.
Ik had al wel tegen Els gezegd dat ik  terug wilde naar West-Friesland als we getrouwd waren. In het begin aarzelde ze, maar toch kwam voor mij het verlossende woord. Na elf jaar arbeid in het Westland trouwden we op 25 augustus 1967 in Delft. Na het geslaagde bruiloftsfeest stapten Els en ik in de grote bus waar mijn familie mee naar de bruiloft was gekomen. Op Oranje Nassaulaan 43 tilde ik Els over de drempel. We hebben twee dochters en een zoon. Sandra, de oudste, woont in Spanje, ze heeft een dochter en een zoon. Ron, ons tweede kind, woont in Grootebroek en heeft twee dochters. En dochter  José heeft twee zoons en woont in Hauwert.  Allen hebben een goede gezondheid. We ervaren het als een weelde. We hebben niks te klagen.

Fabriek

Ik ben gaan werken  bij Draka in Enkhuizen, fabrikant van plasticbuizen. Ik heb er 23 jaar gewerkt in drie- en vierploegendienst. In de drieploegendienst was je elk weekeind vrij, in de vier ploegendienst moest je de meeste weekeinden werken. In het begin had ik er geen moeite mee, maar toen de kinderen groter werden, werd het steeds moeilijker. Ik ben begonnen als menger, later was ik walswerker. Je brengt het mengsel op temperatuur en via de walsen krijgt het de gewenste dikte. Het mengsel wordt in een koker gerold en na 50, 100 of 500 meter wordt de koker afgesneden en in dozen verpakt. Door mijn minder goed wordende gezondheid kon ik dit werk tenslotte niet meer aan. Ik vroeg om ander werk, werd controleur met de afspraak daar een cursus voor te volgen. De cursus is er nooit gekomen met als gevolg dat ik eigenlijk te weinig wist van de kwaliteit van het product. Als mij daar vragen over werden gesteld moest ik het antwoord schuldig blijven. De functie werd me steeds zwaarder, na een paar jaar werd ik dan ook overspannen en vier jaar later belandde ik in de wao. In die tijd ben ik vanuit mezelf naar het Riagg gegaan, ik werd er goed begeleid waardoor ik het leven weer aan kon.

Ik was pas 53 toen ik eigenlijk te vroeg, en na veertig jaar arbeid, met werken moest stoppen. Daar had ik het in het begin wel moeilijk mee, ik voelde me te jong. Ik ben een cursus Engels gaan volgen, ik deed m'n best maar kon het niet vatten. Zo'n beste leerling was ik nou ook weer niet. Medecursisten die ik later tegenkwam hebben het ook moelijk gehad, ook zij spraken nog geen Engels.  Ik ben ook lid geworden van een biljartclub waar ik mensen aantrof van 65 tot 85 jaar.
In het jaar waarin ik moest ophouden met werken werd ik getroffen door een hartinfarct. In het Onze Lieve Vrouwe ziekenhuis in Amsterdam ben ik gedotterd. Na nog een paar kleine infarctjes moest ik in het AMC worden geopereerd, ik kreeg vier omleidingen en daar ben ik behoorlijk van opgeknapt. Een volgende tegenvaller was dat ik suikerpatient bleek te zijn en ook nog gewrichtsontstekingen kreeg.

Gelukkig kon ik positief blijven denken. In de periode van lichamelijke tegenvallers hebben we een stacaravan gekocht, waar we vijf jaar plezier van hebben gehad.  Daarna een toercaravan waarmee we in Spanje overwinteren. Eerst naar dochter Sandra en tot begin mei op een camping in Peniscola.

Na een periode in een vakantiehuis in Putten (Gld.) wonen Ab en Els nu in een bejaardenwoning in Grootebroek. De beide in Spanje wonende kleinkinderen zijn er in de schoolvakantie kind aan huis en spreken even vloeiend Nederlands als Spaans.


We hebben 5 gasten en geen leden online